Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

12.1 Overzicht van EU-beleid

Het EU-milieubeleid heeft voor het merendeel vorm gekregen door de aanname van wetgeving waarin normen of te volgen procedures werden vastgelegd. Dit in tegenstelling tot andere terreinen van EU-beleid, met name landbouw, waar het beleid voornamelijk bestaat uit het vaststellen van prijzen voor goederen en het geven van subsidies voor agrarische verbeteringen. De expliciet voor het EU-milieubeleid beschikbare gelden zijn tot nu toe beperkt gebleven (met uitzondering van het Cohesiefonds – zie § ???). Milieubelastingen en -heffingen zijn op EU-niveau nog niet ingevoerd, maar er bestaan wel enkele andere ‘economische’ instrumenten in het EU-milieubeleid, zoals milieuaansprakelijkheid (zie § ???) en emissiehandel voor broeikasgassen (zie § ???).

Het Vijfde Milieu-actieprogramma (zie § ???) wees op de noodzaak tot het verbreden van het beschikbare instrumentarium voor het EU-milieubeleid. Betoogd werd dat dit essentieel was in de context van duurzame ontwikkeling, omdat hiervoor instrumenten nodig waren die aangrepen bij de gedragspatronen en levensstijlen van individuen. In dit verband zou regelgeving moeten worden gezien als slechts één van de vier toe te passen categorieën instrumenten. De andere drie categorieën zijn:

  • marktconforme instrumenten (economische, fiscale of vrijwillige);

  • horizontale maatregelen (onderzoek, onderwijs, informatie);

  • financiële ondersteuningsmechanismen.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de eerste en derde categorie. Aspecten van de tweede categorie komen aan de orde in hoofdstuk ???.

Het beginsel ‘De vervuiler betaalt’

Dit beginsel was één van de zeven die in het eerste Milieu-actieprogramma van de EU werden geformuleerd (zie § ???). In 1987 werd het bij de Europese Akte opgenomen in het Verdrag van Rome (art.130R, lid 2; thans art. 191, lid 2 VwEU). Desondanks heeft de EU nogal wat problemen gehad met het bepalen van de reikwijdte en de toepassing van het beginsel, vooral met betrekking tot staatssteun.

In de jaren ’70 heeft de Commissie twee Aanbevelingen uitgebracht over de toepassing van het beginsel[2002]. Verder heeft ze in 1974, 1980, 1987 en 1993 Mededelingen over dit onderwerp naar de lidstaten doen uitgaan. Van 2001 tot en met 2007 is een kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu van kracht geweest.[2003] In 2008 is deze vervangen door nieuwe richtsnoeren[2004], welke tegelijk met het ‘klimaat- en energiepakket’ (zie § ???) werden gepresenteerd. In de richtsnoeren zet de Commissie uiteen onder welke voorwaarden staatssteun voor milieubescherming verenigbaar kan zijn met de gemeenschappelijke markt en het EU-Verdrag.

De steun voor ondernemingen die verder gaan dan communautaire normen (of die, bij ontstentenis van communautaire normen, de milieubescherming doen toenemen) mag maximaal 50% van de (extra) investeringskosten bedragen voor grote ondernemingen, 60% voor middelgrote, en 70% voor kleine ondernemingen. Voor bepaalde soorten investeringen (zoals ‘eco-innovaties’, energiebesparing, warmte-krachtkoppeling en hernieuwbare energie) kunnen deze percentages met 10%-punt worden verhoogd. In bepaalde gevallen kan de steun oplopen tot 100% als er een inschrijvingsprocedure wordt gevolgd. Ook voor bodemsanering is 100% investeringssteun mogelijk. Investeringen om te kunnen voldoen aan communautaire normen komen niet in aanmerking voor steun, tenzij het gaat om het vooruitlopen op normen die pas in de toekomst in werking treden (dan gelden maximale steunpercentages van 10 tot 25%). In plaats van investeringssteun is voor energiebesparing, warmte-krachtkoppeling en hernieuwbare energie ook exploitatiesteun mogelijk.

Onder bepaalde voorwaarden kan ook steun worden verleend in de vorm van verlaging of vrijstelling van milieubelastingen voor bepaalde sectoren of categorieën ondernemingen. Daardoor wordt het mogelijk haalbaar, hogere belastingen vast te stellen voor andere ondernemingen, met een gunstig milieueffect als netto-resultaat.

De in 2004 van kracht geworden Richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid vormt een andere uitwerking van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’. Deze Richtlijn wordt behandeld in § ???).

Fondsen voor het milieu

De EU heeft sinds jaar en dag de beschikking gehad over fondsen voor het uitvoeren van haar beleid, zoals programma’s voor onderzoek en technologische ontwikkeling, de Structuurfondsen (het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO)), het Cohesiefonds en (tot 2007)het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL). In recente jaren zijn nieuwe instrumenten en fondsen tot stand gekomen, zoals het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP[2005]).

Het enige instrument dat exclusief bestemd is voor milieudoeleinden is ‘LIFE+’ (zie § ???). Veel van de andere fondsen en programma’s bevatten echter ook belangrijke milieugerelateerde componenten. Zo is een van de drie doelstellingen van het ELFPO (zie § ???5) “verbetering van het milieu en het platteland door steunverlening voor landbeheer”. Het CIP richt zich ondermeer op de bevordering van eco-innovatie, van energie-efficiëntie en van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen. Met behulp van het Cohesiefonds (zie § ???) worden veel projecten gefinancierd op het gebied van waterzuivering, energiebesparing en hernieuwbare energie. Voor de Structuurfondsen en het Cohesiefonds geldt bovendien dat de doelstellingen ervan moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering van de in het EU-Verdrag verankerde doelstelling inzake bescherming en verbetering van het milieu (art. 17 van Verordening 1083/2006; zie § ???).

Het financiële kader van de EU voor de periode 2007-2013 is door Commissie, Parlement en Raad vastgesteld in mei 2006[2006] en daarna nog enkele keren gewijzigd, ondermeer in verband met het Europees economisch herstelplan[2007]. Een van de zes hoofdcategorieën van het financiële kader is ‘Bescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen’. Daarvoor is ruim 42% van de totale middelen gereserveerd (EUR 367 miljard in 7 jaar). De titel van deze post is echter misleidend, want het betreft voornamelijk uitgaven in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het budget voor het enige EU-fonds dat specifiek voor milieu bestemd is (LIFE+; zie § ???) bedraagt slechts 0,6% van deze post (EUR 2,1 miljard). Onder de post ‘Samenhang ter bevordering van groei en werkgelegenheid’ vallen de uitgaven in het kader van de Structuur- en Cohesiefondsen (zie § ???); in totaal 36% van de beschikbare gelden (EUR 308 miljard).

Economische instrumenten

In de jaren ’70 is er sprake van geweest dat de Commissie een systeem van waterverontreinigingsheffingen zou voorstellen, maar er zijn alleen ontwerp-voorstellen verschenen. Het idee van economische instrumenten verscheen evenwel opnieuw ten tonele in de context van klimaatverandering. In juni 1992 heeft de Commissie formeel een voorstel ingediend voor een koolstof-/energiebelasting[2008](zie § ???). Het stuitte echter op tegenstand vanuit de industrie en van een aantal lidstaten.

Diverse andere beleidsdocumenten hebben het belang van fiscale en andere economische instrumenten benadrukt. Zo werd in 1993 in het zogeheten ‘Witboek van Delors’ over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid[2009] uitgebreid aandacht besteed aan milieubelastingen. Betoogd werd dat een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar grondstoffengebruik en vervuiling tegelijkertijd de milieuverslechtering zou verminderen en de werkgelegenheid zou bevorderen, zonder de economische ontwikkeling te belemmeren.

In maart 1997 publiceerde de Commissie een Mededeling, waarin richtlijnen staan voor de lidstaten bij het ontwerpen en uitvoeren van nationale milieubelastingen en –heffingen[2010]. Met instemming werd vastgesteld dat dergelijke instrumenten steeds meer toegepast worden, maar ook werd de aandacht gevestigd op de mogelijke invloed die ze kunnen hebben op het Gemeenschapsbeleid op het gebied van mededinging, de gemeenschappelijke markt en de belastingen. De Mededeling werd een ‘eerste stap’ genoemd en de Commissie beloofde een toekomstige evaluatie van de economische- en milieugevolgen van het gebruik van milieubelastingen en –heffingen door de listaten, tezamen met eventuele beleidsinitiatieven op Gemeenschapsniveau.

Specifieke economische instrumenten stuiten op EU-niveau evenwel vaak op ernstige belemmeringen. Deze komen in het bijzonder voort uit het vereiste van unanimiteit in de Raad van Ministers van Financiën voor maatregelen die primair een fiscaal karakter hebben.

Desalniettemin zijn er precedenten van zulke maatregelen, al zijn die in de eerste plaats genomen in het belang van de interne markt en niet zozeer ten behoeve van milieubescherming. Het duidelijkste voorbeeld hiervan was Richtlijn 92/82 betreffende de accijnstarieven voor minerale oliën[2011], waarin minimumtarieven voor de accijnzen op motorbrandstoffen voor alle lidstaten waren vastgesteld. In de huidige situatie weerspiegelt de Richtlijn de ‘kleinste gemeenschappelijke noemer’ van tarieven, waarbij voor sommige lidstaten ook nog uitzonderingen opgenomen zijn. Vanaf 2004 zijn ook andere energieproducten, zoals aardgas en elektriciteit onder het stelsel van gemeenschappelijke minimum-accijnstarieven komen te vallen (Richtlijn 2003/96; zie § ???) De Richtlijn bevat tal van vrijstellingsmogelijkheden, overgangsperioden en gereduceerde tarieven voor de energie-intensieve industrie.

In maart 2007 publiceerde de Commissie een ‘Groenboek over marktconforme instrumenten voor milieu- en gerelateerde beleidsdoelstellingen’.[2012] Het bevat een verkenning van mogelijkheden voor een intensiever gebruik van marktconforme (of economische) instrumenten op verschillende terreinen van het milieu- en energiebeleid op EU- en nationaal niveau. In het Groenboek wordt aandacht besteed aan de opties voor stroomlijning en ontwikkeling van de energiebelastingrichtlijn, alsmede de relatie tussen deze richtlijn en andere marktconforme instrumenten (zoals de emissiehandel). Verder komen de mogelijkheden voor verdere toepassing van marktconforme instrumenten aan de orde op diverse terreinen: vervoer, water, afvalbeheer, biodiversiteit en luchtverontreiniging.

Een ander economisch instrument dat de Commissie probeert te stimuleren is ‘groen’ overheidsaanschafbeleid, dat wil zeggen het inkopen van milieuvriendelijkere producten door overheden. Naar schatting van de Commissie vormen overheidsbestedingen zo’n 16% van het Bruto Binnenlands Product van de EU (€ 1500 miljard per jaar), maar nog lang niet alle overheden in de EU hanteren een ‘groen’ aankoop- en aanbestedingsbeleid. Belangrijke barrières zijn een gebrek aan kennis, budgetbeperkingen en juridische onzekerheid met betrekking tot de EU-regels betreffende de interne markt. De EU-Richtlijnen voor overheidsopdrachten zijn herzien in 2004 en bieden ruime mogelijkheden aan publieke instanties om milieu-overwegingen mee te nemen in hun bestedingen. De Commissie heeft ook een Handboek gepubliceerd waarin wordt uitgelegd hoe overheden in hun aanbestedingen rekening kunnen houden met milieu-aspecten.[2013] In juli 2008 presenteerde de Commissie een Mededeling ‘Overheidsopdrachten voor een beter milieu’[2014]. Daarin gaat zij ondermeer in op de ontwikkeling van gemeenschappelijke criteria voor ‘groen’ overheidsaanschafbeleid en wijst ze tien prioritaire sectoren aan. [2015]

[2002] 75/436, PbEG L 194, 25.7.1975, en 79/3, PbEG L5, 9.1.1979.

[2003] PbEG C37, 3.2.2001.

[2004] PbEU C82, 1.4.2008.

[2005] Besluit 1639/2006/EG; PbEU L310, 9.11.2006.

[2006] PbEU C139, 14.6.2006.

[2007] PbEU L347, 24.12.2009.

[2008] COM(92) 226.

[2009] COM(93) 700.

[2010] ‘Environmental Taxes and Charges in the Single Market’, COM(97)7, PbEG C224, 23.7.1997.

[2011] PbEG L316, 31.10.1992.

[2012] COM(2007) 140 def.

[2013] ‘Groen kopen! Een handbook inzake milieuvriendelijke overheidsopdrachten.’ http://ec.europa.eu/environment/gpp/pdf/buying_green_handbook_nl.pdf.

[2014] COM(2008) 400 def.

[2015] Aan ‘groen inkopen’ wordt in dit hoofdstuk verder geen aandacht besteed. Wel kan worden opgemerkt dat Nederland op dit gebied een actief beleid voert, waarbij het aandachtsveld is verbreed tot ‘duurzaam’ inkopen. Zie bijvoorbeeld http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzaam-inkopen.