Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

12.3 Cohesiefonds

12.3.1 Overzicht van EU-regelgeving

1084/2006 (PbEU L210 31.7.2006)

voorgesteld 14.7.2004 – COM(2004) 494

Verordening tot oprichting van het Cohesiefonds

1083/2006 (PbEU L210 31.7.2006)

Verordening houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds

Rechtsgrondslag

Artikel 161 EG-verdrag (thans art. 177 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

1 augustus 2006

Opnieuw bezien van de Verordening door de Raad

vóór eind 2013

2006/596/EG (PbEU L243, 6.9.2006)

Beschikking tot vaststelling van de lijst van de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds voor de periode 2007-2013

2006/594/EG (PbEU L243, 6.9.2006)

Beschikking tot vaststelling van een indicatieve verdeling over de lidstaten van de vastleggingskredieten voor de convergentiedoelstelling voor de periode 2007-2013

12.3.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

N.v.t.

12.3.3 Doelstelling van de Verordening

De Verordening behelst een herziening van het sinds 1994 bestaande Cohesiefonds, dat tot doel heeft bij te dragen tot de versterking van de economische en sociale samenhang van de EU. Uit het fonds kunnen financiële bijdragen worden verleend voor projecten op het gebied van met name milieu en vervoersinfrastructuur in de ‘armste’ lidstaten. Het Cohesiefonds vormt een aanvulling op de financiële steun die naar deze landen vloeit in het kader van de Structuurfondsen van de EU (zie § ???). Zowel het Cohesiefonds als de Structuurfondsen vallen onder de regels van Verordening 1083/2006 (zie § ???).

Bij beschikking 2006/596 is vastgelegd dat de tien lidstaten die in mei 2004 zijn toegetreden, alsmede Griekenland, Portugal en (bij wijze van overgangsmaatregel) Spanje, in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds. Bulgarije en Roemenië zijn bij hun toetreding in 2007 aan de lijst toegevoegd.

Beschikking 2006/594 (Bijlage III en IV) bevat een indicatieve verdeling van de bedragen over deze lidstaten voor de periode tot 2013.

12.3.4 Samenvatting van de Verordening

Bij de Verordening wordt een Cohesiefonds opgericht, waarmee projecten kunnen worden gesteund op het gebied van (a) trans-Europese vervoersnetwerken, en met name de prioritaire projecten van gemeenschappelijk belang, zoals vastgesteld bij Beschikking 1692/96; en (b) het milieu, waarbij de in het Milieuactieprogramma (zie § ???) vastgelegde prioriteiten in acht moeten worden genomen. Ook energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en ‘duurzaam’ vervoer (buiten de trans-Europese netwerken om) komen in aanmerking.

Alleen lidstaten met een bruto nationaal inkomen per inwoner dat lager is dan 90% van het EU-gemiddelde kunnen steun uit het Cohesiefonds krijgen. De omvang van het fonds voor de periode 2007-2013 bedraagt ruim 50 miljard euro. Dit bedrag komt bovenop de 160 miljard euro die in het kader van de Structuurfondsen beschikbaar is voor de armste regio’s (onder de ‘Convergentie’-doelstelling; zie § ???).

Steun uit het Cohesiefonds is afhankelijk gesteld van de uitvoering door de betreffende lidstaat van een stabiliteitsprogramma, gericht op het reduceren van het begrotingstekort tot onder de 3% van het BNP, teneinde de weg vrij te maken voor een mogelijke invoering van de euro.

12.3.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordening

Het Cohesiefonds kwam in 1994 tot stand als uitvloeisel van het Verdrag van Maastricht door middel van de voorganger van de huidige Verordening, 1164/94. Ondanks de nadruk die in de Verordening en haar voorganger ligt op bestedingen aan milieuprojecten is de voornaamste functie van het Cohesiefonds toch die van financieel overdrachts­mechanisme van de rijkere naar de armere EU-lidstaten. Laatstgenoemde landen moeten hierdoor in staat worden gesteld hun staatsschuld terug te brengen tot onder de niveaus die het EU-Verdrag eist voor de overgang naar de monetaire unie. In de ‘cohesielanden’ leggen vervoers­infrastructuur­behoeften en vooral ook de noodzaak om waterbeheer en afvalwaterzuiverings­installaties te laten voldoen aan de in EU-Richtlijnen gestelde eisen een zwaar beslag op de publieke middelen. Vandaar dat het Fonds zich vooral op dergelijke projecten richt.

Voorheen kenden de Verordeningen ten aanzien van de Structuurfondsen een aantal specifieke milieuvoorwaarden, die niet van toepassing waren op het oorspronkelijke Cohesiefonds. In november 1995 heeft de Commissie een Mededeling gepubliceerd getiteld ‘Cohesiebeleid en milieu’[2022], waarin aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden om een grotere synergie te bereiken tussen het ‘cohesie-’ en het milieubeleid van de Gemeenschap. Dit was een reactie op het dreigement van het Europees Parlement om de uitgaven van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds te blokkeren omdat er geen adequate informatie werd verschaft over hun milieugevolgen. De huidige Verordening 1084/2006 voorziet erin dat het Cohesiefonds in hetzelfde kader opereert als de Structuurfondsen, waardoor er ondermeer voorwaarden op het gebied van duurzaamheid voor gelden.

12.3.6 De omzetting in nationale regelgeving

De Verordening is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten en heeft geen aanleiding gegeven tot Nederlandse regelgeving.

12.3.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Het bereik van het Cohesiefonds, zoals omschreven in de Verordening, is erg breed. Bij de start ervan bestond dan ook het vooruitzicht van aanzienlijke financiële steun voor een rijke verscheidenheid aan innovatieve milieuprogramma’s en -projecten in een groep landen waar milieubescherming traditioneel laag op de politieke agenda had gestaan.

In de praktijk blijkt het bij de ‘milieuprojecten’ die door het Cohesiefonds gefinancierd worden[2023] vooral te gaan om waterprojecten. Deze zijn niet altijd onomstreden. Er zijn bijvoorbeeld grote watervoorzieningsprojecten gefinancierd die niet altijd bijdragen aan een beter milieu. In Portugal, Griekenland en Spanje zijn grote delen van het Cohesiefonds besteed aan de financiering van projecten om watertekorten in de steden op de korte termijn op te lossen, terwijl er weinig of geen geld is gestoken in het beheersen van de watervraag of het verbeteren van de efficiëntie van het watergebruik.

12.3.8 Verdere ontwikkelingen

In september 2007 is de Commissie een openbare raadpleging begonnen over de toekomst van het EU-cohesiebeleid, waarbij het vooral ging om de vraag hoe dit beleid kan worden aangepast aan de nieuwe uitdagingen waar Europa voor staat, waaronder de uiteenlopende invloed van klimaatverandering in de verschillende regio’s. Hiermee werd een debat gestart dat naar verwachting zal leiden tot concrete ideeën voor het cohesiebeleid na 2013. Voor Nederland zal dit overigens weinig betekenis hebben, omdat Nederland niet in aanmerking komt voor gelden uit het Cohesiefonds.

[2022] COM(95) 509.

[2023] Dit betreft ongeveer de helft van de uitgaven van het Fonds. De andere helft gaat naar vervoersprojecten (vooral de aanleg van wegen).