1080/2006 (PbEU L210, 31.7.2006) | Verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling |
1081/2006 (PbEU L210, 31.7.2006) | Verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds |
1083/2006 (PbEU L210 31.7.2006) | Verordening houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds |
Rechtsgrondslag | Artikel 161 EG-verdrag (thans art. 177 VwEU) |
Nationaal Strategisch Referentiekader Structuurfondsen ¬ 2007 -2013 |
De Structuurfondsen van de EU bestaan in de periode 2007 t/m 2013 uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF). Verordening 1083/2006 bevat de algemene bepalingen voor de financiering vanuit structuurfondsen en vanuit het Cohesiefonds (zie § ???). Het voornaamste doel van de Structuurfondsen is het bevorderen van de economische, sociale en territoriale ontwikkeling van regio’s, sectoren en sociale groepen met een achterstand in de EU. Duurzaamheid en milieubescherming zijn daarbij belangrijke aspecten.
Het gezamenlijk budget van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds bedraagt voor de periode 2007 t/m 2013 ruim € 300 miljard, overeenkomend met ongeveer eenderde van de EU-begroting. Er worden drie doelstellingen onderscheiden:
1) de convergentiedoelstelling, waarmee wordt beoogd de convergentie van de minst ontwikkelde lidstaten en regio's te versnellen (deze doelstelling vormt de prioriteit van de fondsen);
2) de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid”, die geldt voor andere dan de minst ontwikkelde regio's en waarmee wordt beoogd het concurrentievermogen en de aantrekkingskracht van deze regio's alsmede de werkgelegenheid te vergroten; en
3) de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, waarmee wordt beoogd de grensoverschrijdende samenwerking te intensiveren.
De meeste mogelijkheden voor de financiering van milieuprojecten liggen bij het Cohesiefonds (maar zonder mogelijkheid van investeringen ín Nederland, zie § ???) en het EFRO.
12.4.4 Samenvatting van de Verordeningen[2024]
Artikel 17 van Verordening 1083/2006 bepaalt dat “de doelstellingen van de fondsen worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Gemeenschap van de in artikel 6 van het Verdrag verankerde doelstelling inzake bescherming en verbetering van het milieu”.
Financiering op grond van de ‘convergentiedoelstelling’ is beschikbaar voor de regio’s met een BBP van minder dan 75% van het EU-gemiddelde. Het gaat daarbij om het gehele grondgebied van een aantal lidstaten (Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië en Slovenië) en om delen van een aantal andere (Tsjechië, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Hongarije, Italië, Portugal, Slowakije en het Verenigd Koninkrijk). Het voor deze doelstelling beschikbare bedrag is € 251 miljard, ruim 80% van het totale bedrag voor cohesiebeleid (d.w.z. Structuurfondsen en Cohesiefonds samen).
Onder de convergentiedoelstelling kan het EFRO een breed scala aan activiteiten cofinancieren. Onderzoek, innovatie en risicopreventie krijgen daarbij meer nadruk dan voorheen, maar infrastructuur behoudt een belangrijke rol. De EFRO-verordening (1080/2006) noemt in artikel 4 ‘milieu’ als een van de prioriteiten voor financiering. Daarnaast bieden ook de meeste andere prioriteiten (zoals ‘onderzoek en technologische ontwikkeling, innovatie en ondernemerschap’, ‘risicopreventie’, ‘toerisme’, ‘cultuur’, ‘vervoersinvesteringen’ en ‘energieinvesteringen’, ‘onderwijs’ en ‘gezondheid’) mogelijkheden voor financiering van milieuprojecten.
Ook de ESF-Verordening (1081/2006) biedt in principe ruimte voor milieu-initiatieven, bijvoorbeeld op het gebied van scholing en training in milieuvriendelijke productiemethoden.
Onder deze doelstelling gaat het om het bevorderen van concurrentievermogen, aantrekkingskracht en werkgelegenheid in alle regio’s die niet onder de convergentiedoelstelling vallen. Het beschikbare budget is € 49 miljard: bijna 16% van de totale gelden voor het cohesiebeleid. In de EFRO-Verordening (1080/2006) worden onder deze doelstelling de volgende prioriteiten genoemd: ‘innovatie en de kenniseconomie’; ‘milieu en risicopreventie’; en ‘toegang tot vervoers- en telecommunicatiediensten’. Daarnaast kunnen onder deze doelstelling ook ESF-gelden ingezet worden.
Deze doelstelling is gericht op het bevorderen van samenwerking tussen regio’s bij het oplossen van gezamenlijke economische, sociale en milieuproblemen. Het totale budget is relatief klein: € 7,8 miljard of 2,5% van de gelden voor cohesiebeleid. Het grootste deel van dit geld (€ 5,6 miljard) gaat naar grensoverschrijdende samenwerking tussen regio’s aan weerszijden van de binnengrenzen van de EU (waartoe ook regio’s worden gerekend met maximaal 150 km zee ertussen) en langs sommige buitengrenzen. Bij transnationale samenwerking (€ 1,6 miljard) gaat het om de ‘geïntegreerde territoriale ontwikkeling’ van regio’s met gemeenschappelijke kenmerken. De regio’s die voor steun in het kader van grensoverschrijdende of transnationale samenwerking in aanmerking komen zijn aangewezen bij Beschikking 2006/769/EG.[2025] Voor interregionale samenwerking, samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen is bijna € 0,4 miljard beschikbaar. Hiervoor komen alle regio’s in de EU in aanmerking.
De Raad heeft als ‘indicatief kader’ voor de besteding van de gelden uit de Structuurfondsen en het Cohesiefonds bij Beschikking 2006/702/EG[2026] ‘strategische richtsnoeren’ vastgesteld. De drie prioriteiten van deze richtsnoeren (die aansluiten bij de ‘Lissabon-strategie’) zijn:
lidstaten, regio's en steden aantrekkelijker maken door de toegankelijkheid te vergroten, een hoge kwaliteit en adequaat niveau van dienstverlening te garanderen en het milieu te beschermen;
innovaties, ondernemerschap en de groei van de kenniseconomie aanmoedigen door onderzoeks- en innovatiecapaciteit;
meer en betere banen scheppen door meer mensen aan het werk te helpen of tot het ondernemerschap te bewegen, het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven te vergroten en meer te investeren in menselijk kapitaal.
Rekening houdend met de strategische richtsnoeren dient elke lidstaat een ‘nationaal strategisch referentiekader’ en daaruit voortvloeiende ‘operationele programma's’ op te stellen. In deze programma’s worden de activiteiten voor cofinanciering uit de Structuurfondsen geprioriteerd. De bepalingen van de Richtlijn Strategische Milieubeoordeling (zie § ???) zijn op deze referentiekaders en programma’s van toepassing.
De Structuurfondsen zijn niet primair bedoeld als milieubeleidsinstrumenten. Een bespreking van de achtergronden en geschiedenis van hun totstandkoming valt dan ook buiten het bestek van dit Handboek.
De Verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in de lidstaten en hoeven als zodanig niet in nationale regelgeving te worden omgezet. Wel bestaat er uiteraard de nodige aanvullende regelgeving (en afspraken) aangaande de verdeling van verantwoordelijkheden op het gebied van beheer, uitvoering, toezicht en controle van de EU-structuurfondsgelden en de besteding daarvan in Nederland, alsmede betreffende de co-financiering door Nederlandse overheden van de diverse onderdelen. Een gedetailleerde behandeling daarvan blijft hier achterwege. Wel kan worden opgemerkt dat bij de uitvoering van het EU-structuurbeleid in Nederland een belangrijke rol is weggelegd voor de provincies.
Nederland komt in de periode 2007-2013 in aanmerking voor een bedrag van € 1.907 miljoen aan structuurfondsen. Daarvan is € 1.660 miljoen bestemd voor Doelstelling 2 (concurrentievermogen en werkgelegenheid) en € 247 miljoen voor Doelstelling 3 (Europese territoriale samenwerking). Nederland wil € 297 miljoen (18%) van de ‘Doelstelling 2’-Structuurfondsgelden investeren in het milieu en duurzame ontwikkeling. 83.5 miljoen daarvan zal gaan naar klimaatverandering en 49 miljoen zal dienen voor de bevordering van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.[2027]
Het Nederlandse Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) voor de periode 2007-2013 is vastgesteld in mei 2007.[2028] Het NSR bevat vier regionale programma’s (voor Noord-, Oost-, West- en Zuid-Nederland), gericht op de doelstelling ‘Concurrentiekracht’ (EFRO-gelden) en één nationaal programma, gericht op de doelstelling ‘Werkgelegenheid’ (ESF-gelden). Daarnaast participeert Nederland in een aantal programma’s die betrekking hebben op de doelstelling van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking.
Tabel 12.4.1 geeft enkele voorbeelden van milieurelevante projecten die momenteel met steun van de EU-structuurfondsen (EFRO-bijdrage > € 2 miljoen) worden uitgevoerd. Een volledig overzicht van projecten die in Nederland onder doelstelling 2 (regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid) door de EU worden medegefinancierd is te vinden op www.europaomdehoek.nl.
Project | Begunstigde |
Stimulering rijden op aardgas | Provincie Zuid-Holland |
Aanleg van glazen schermen (tegen luchtverontreiniging en geluidsoverlast) en zonnepanelen | Gemeente Schiedam |
Ontsluiting groengebied door aanleg brug voor langzaam verkeer | Gemeente Zoetermeer |
Energie-efficiënt datacenter | Triple Green Data Centers |
Walstroom voor de binnenvaart | Havenbedrijf Rotterdam |
In januari 2011 heeft de Commissie een mededeling gepresenteerd waarin wordt geschetst hoe het regionaal beleid kan bijdragen aan de uitvoering van de Europa 2020-strategie, en met name aan het kerninitiatief "Efficiënt gebruik van hulpbronnen".[2029] Nationale, regionale en lokale autoriteiten worden erin opgeroepen beter gebruik te maken van de beschikbare middelen om duurzame groei in elke Europese regio te bevorderen.
Ook in de visie van de Commissie op het cohesiebeleid voor de periode na 2013 wordt de nadruk gelegd op de bijdrage die het beleid kan leveren aan de ‘Europa 2020’-doelen.[2030]
[2024] Slechts die onderdelen van de Verordeningen die vanuit milieu-oogpunt relevant (kunnen) zijn, worden hier besproken.
[2025] PbEU L312, 11.11.2006.
[2026] PbEU L291, 21.10.2006.
[2027] Bron: http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docoffic/official/communic/negociation/country_nl_nl.pdf (geraadpleegd 8 februari 2011).
[2028] Ministerie van Economische Zaken (e.a.), Nationaal Strategisch Referentiekader Structuurfondsen 2007 -2013.
[2029] SEC(2011) 92 definitief.
[2030] COM(2010) 642/3.