13.5.1 Europese Overeenkomst inzake de beperking van het gebruik van detergentia
Deze Overeenkomst beperkt het gebruik van detergentia (reinigingsmiddelen) door leden van de Raad van Europa. In november 1984 trad een Protocol in werking dat rekening houdt met Gemeenschapsregelgeving op dit gebied (zie § 7.13). In maart 1985 heeft de Commissie een aanbeveling gedaan om gevolmachtigd te worden teneinde te onderhandelen over toetreding tot de Overeenkomst. In 1987 heeft de Commissie echter besloten dit toch niet te doen.
13.5.2 Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo-Verdrag)
Dit Verdrag is opgesteld door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), en is getekend in Espoo (Finland) in februari 1991 door de EG en alle lidstaten. Het Verdrag is beïnvloed door EG Richtlijn 85/337 (zie § 11.3). Het Verdrag heeft uitsluitend betrekking op projecten die mogelijk een belangrijke grensoverschrijdende invloed zullen hebben. Het Verdrag geeft echter een meer gedetailleerde regeling van de te volgen stappen dan de oorspronkelijke Richtlijn. Richtlijn 97/11 heeft 85/337 gewijzigd om de regelgeving in overeenstemming te brengen met het Verdrag. In 1997 is het Verdrag van kracht geworden. Het is zowel door de EG als door Nederland geratificeerd.
In november 2001 heeft de Raad een Besluit aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd om namens de EG te onderhandelen over een Protocol inzake strategische milieubeoordeling. Dit Protocol is in mei 2003 in Kiev tot stand gekomen.
13.5.3 Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door activiteiten die gevaarlijk zijn voor het milieu (Verdrag van Lugano)
Het Verdrag is opgesteld door de Raad van Europa. Het is getekend in Lugano in juni 1993 door verschillende landen waaronder enkele EG-lidstaten (Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland) en het zal van kracht worden wanneer het door drie partijen is geratificeerd. De EG heeft het Verdrag niet getekend hoewel dit volgens de tekst van het Verdrag wel mogelijk is. Tijdens de onderhandelingen in 1992 heeft de Raad de Commissie een volmacht gegeven om te onderhandelen voor de gebieden die onder de bevoegdheid van de EG vallen. Het doel van het Verdrag is te voorzien in een adequate vergoeding voor schade die het gevolg is van activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, bijvoorbeeld professionele activiteiten die het gebruik van gevaarlijke stoffen, genetisch gemanipuleerde organismen en micro-organismen met zich brengen. De exploitatie van vuilstortplaatsen of verwerkingsinstallaties vallen eveneens onder het Verdrag. Het Verdrag introduceert een civiel aansprakelijkheidsregime.
In het Witboek van de Commissie betreffende milieuaansprakelijkheid[1343] werden enkele opties voor EU-beleid op dit gebied besproken. In 2002 heeft de Commissie een voorstel voor een Richtlijn gepubliceerd[1344] (zie Bijlage III).
13.5.4 Verdrag inzake Nucleaire veiligheid
Het doel van dit Verdrag is het verzekeren van een hoog veiligheidsniveau in nucleaire installaties over de gehele wereld. Het Verdrag werd opengesteld voor ondertekening in september 1994 en bevat algemene veiligheidsprincipes die de verdragspartijen moeten integreren in hun nationale regelgeving.
13.5.5 Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen (Verdrag van Helsinki)
Het Verdrag is opgesteld door de UNECE in 1992 en heeft als doel de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen industriële ongelukken die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben. Men hoopt dat het Verdrag de basis kan vormen voor de bevordering van een actieve internationale samenwerking voor, tijdens en na een dergelijke ramp. De inhoud van het Verdrag is sterk beïnvloed door EG-regelgeving op dit gebied (zie § 7.18), hoewel het Verdrag meer strikte eisen stelt aan de definitie van ‘gevaarlijke activiteiten’. Ondanks deze verschillen heeft de EG het Verdrag geratificeerd in 1998, met een voorbehoud ten aanzien van de definitie van ‘gevaarlijke activiteiten’. In april 2000 is het Verdrag in werking getreden. Er zal nieuwe regelgeving nodig zijn om het beleid van de EG in overeenstemming met het Verdrag te krijgen.
Inmiddel is een nieuw Protocol bij dit Verdrag en bij het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren (zie § 13.1.12) tot stand gekomen. Dit Protocol betreft de aansprakelijkheid en compensatie voor schade aan grensoverschrijdende wateren als gevolg van industriële ongevallen. Het is in mei 2003 in Kiev ondertekend.
13.5.6 Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming (Verdrag van Parijs)
Dit Verdrag, dat is aangenomen in juni 1994, heeft als doel de effecten van de droogte (in het bijzonder in Afrika) te bestrijden en te verzachten. Een van de vier bijlagen bij het verdrag heeft betrekking op het noordelijk deel van de Middellandse zee. Het Verdrag is van kracht sinds december 1996. De EG is sinds 1998 partij.
13.5.7 Verdrag inzake de toegang tot informatie, inspraak door de bevolking en mogelijkheid van verhaal in Milieuzaken
(Verdrag van Århus)
Het Verdrag is opgesteld onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) en is in juni 1998 opengesteld voor ondertekening. Het is onmiddellijk ondertekend door de EG en al haar lidstaten (behalve Duitsland, dat later alsnog heeft getekend).
Het deel van het Verdrag dat betrekking heeft op toegang tot informatie lijkt sterk op EG Richtlijn 90/313 (zie § 11.5). Het belangrijkste gevolg van het Verdrag is dat de instellingen van de EU voor het eerst onder de ‘toegang tot informatie’-bepalingen vallen (art. 2, onder d). De paragrafen die betrekking hebben op inspraak door de bevolking zijn eveneens grotendeels gebaseerd op EU-regelgeving, met name op de m.e.r.-Richtlijn (zie § 11.3) en de IPPC-Richtlijn (zie § 6.12). Op een aantal belangrijke onderdelen gaat het Verdrag verder dan de EU-regelgeving. Deze regelgeving zal dan ook moeten worden aangepast als de EG daadwerkelijk partij wil worden bij het Verdrag.
In januari 2003 zijn de onderhandelingen over een nieuw Protocol bij het Verdrag afgerond. Dit Protocol heeft betrekking op de registratie van emisies. Het is in mei 2003 in Kiev ondertekend.
13.5.8 Verdrag inzake de procedure van voorafgaande geïnformeerde toestemming voor bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (Verdrag van Rotterdam, ook bekend als het PIC-Verdrag)
Het Verdrag is tot stand gekomen onder auspiciën van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) en het Milieuprogramma van de VN (UNEP). Het vervangt een aantal door de FAO en UNEP in 1989 vrijwillig vastgestelde richtsnoeren en heeft als doel de internationale regelgeving op het gebied van de invoer en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemicaliën (inclusief bestrijdingsmiddelen) te verbeteren. Radioactieve materialen vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag. Wanneer het Verdrag in werking treedt dient voorafgaand aan de eerste uitvoer van chemicaliën die staan opgesomd in bijlage III of die verboden of zeer streng beperkt zijn in het land waar naartoe zal worden geëxporteerd, melding te worden gemaakt. Voor chemicaliën die niet staan opgesomd in bijlage III is tevens een mededeling vereist voor de eerste uitvoer in elk volgend jaar.
Aan het beginsel van ‘voorafgaande geïnformeerde toestemming’ (Prior Informed Consent, PIC) was in de EU-regelgeving al uitvoering gegeven via Verordening 2455/92 (zie § 7.7). Deze moest echter moeten worden aangepast met het oog op het Verdrag. Daartoe is Verordening 304/2003[1345] ontwikkeld, welke 2455/92 inmiddels heeft vervangen.
De Commissie heeft het Verdrag in naam van de EG getekend in 1998. In december 2002 heeft de EU het Verdrag geratificeerd.
13.5.9 Verdrag inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) (Verdrag van Stockholm)
Dit verdrag is tot stand gekomen in het kader van de UNEP en is in mei 2001 in Stockholm opengesteld voor ondertekening. Het belangrijkste doel is het elimineren van doelbewust geproduceerde persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) en het voortdurend minimaliseren en zo mogelijk elimineren van POP’s die onbedoelde bijproducten zijn. Het Verdrag voorziet in een kader om te zorgen voor de eliminatie/minimalisatie van 12 prioritaire (groepen van) POP’s die ook zijn opgenomen in het (in het kader van de UNECE tot stand gekomen) POP-Protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (zie §13.2.1). Het gaat daarbij om: aldrin, chloordaan, dieldrin, endrin, heptachloor, hexachloorbenzeen, mirex, toxafeen, PCB’s, DDT, dioxinen en furanen.
De EG en de meeste lidstaten hebben het Verdrag in 2001 ondertekend.
Het Energiehandvest van 1994 richt zich op vijf brede terreinen: de bescherming en bevordering van buitenlandse energie-investeringen; vrije handel in energiedragers, -producten en energiegerelateerde apparatuur; vrije doorvoer van energie door pijpleidingen en netwerken; mechanismen voor het beslechten van geschillen; en energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten. De milieuaspecten worden behandeld in art. 19 van het Verdrag, waarin staat dat de partijen ernaar streven schadelijke milieu-effecten van de energiecyclus ‘op economisch verantwoorde wijze zo gering mogelijk te houden’. Het doel van het afzonderlijke het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten is het definiëren van beleidsprincipes voor de bevordering van energie-efficiëntie en daarmee de negatieve milieueffecten van energie te reduceren.
Het Handvest is ontwikkeld op basis van het Europese Energiehandvest van 1991, dat voor het eerst werd voorgesteld op de Europese Raad in Dublin in 1990. Het was een initiatief van de toenmalige Nederlandse premier Lubbers, die het zag als een manier om de economische ontwikkeling in Oost-Europa en de Sovjetunie te steunen. Er bestond ook grote belangstelling in het westen voor het verkrijgen van toegang tot de energiebronnen, met name de gasvoorraden in de Sovjetunie. Aanvankelijk was het Energiehandvest een politieke intentieverklaring om Oost-West-samenwerking op energiegebied te bevorderen. Na drie jaar onderhandelen werd het omgezet in een bindend Verdrag. Het Verdrag en het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten werden in december 1994 ondertekend en werden in april 1998 van kracht.
Het Verdrag raakt aan elk van de drie destijds bestaande Europese Gemeenschappen: de Europese Gemeenschap (EG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)[1346] en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). In oktober 1999 hadden de Europese Gemeenschappen en alle 15 lidstaten het Verdrag en het Protocol geratificeerd of waren ertoe toegetreden.
13.5.11 internationaal Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval (bekend als het ‘Gezamenlijk Verdrag’)
Het Gezamenlijk Verdrag werd in september 1997 opengesteld voor ondertekening en trad in werking op 18 juni 2001. De doelstellingen van het Verdrag zijn: het bereiken en handhaven over de gehele wereld van een hoog niveau van veiligheid op het gebied van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval; het zorgen voor doeltrffende beschermingsmaatregelen tegen mogelijke risico’s tijdens alle stadia van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval, teneinde individuen, de maatchappij en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ioniserende straling; en het voorkomen van ongelukken met radiologische gevolgen en het verzachten van die gevolgen. Het Gezamenlijk Verdrag heeft betrekking op afgewerkte splijtstoffen en radioactief afval van civiele toepassingen en op niet langer gebruikte, gesloten bronnen van radioactiviteit.
Binnen de EU liggen de meeste bevoegdheden voor een veilig beheer van afgewerkte splijtstoffen en radioactief afval bij de lidstaten. Nederland heeft het Verdrag danook geratificeerd. Op sommige terreinen is er echter prake van een duidelijke bevoegdheid voor de Gemeenschappen, bijvoorbeeld met betrekking tot het opstellen van basisnormen voor de bescherming van werkers en het publiek tegen de gevaren van ioniserende straling (zie hfs. 8). De Commisie heeft daarom voorgesteld om de EG en Euratom partij te laten worden bij het Verdrag terzake van die onderdelen die onder hun competentie vallen.
13.5.12 Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS-verdrag)
Het HNS-Verdrag is in 1996 tot stand gekomen onder de auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties (IMO). Het heeft tot doel te zorgen voor compensatie voor personen die schade lijden door verliezen, lozingen of lekkage van gevaarlijke en schadelijke stoffen tijdens het vervoer over zee. Het Verdrag is nog niet in werking getreden.
De artikelen 38, 39 en 40 van het Verdrag raken aan het afgeleide recht van de Gemeenschap terzake van de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Binnen de EU heeft de EG uitsluitende bevoegdheid op dit gebied. Echter, alleen soevereine staten kunnen partij bij het HNS-Verdrag worden. Daarom heeft de Raad de lidstaten gemachtigd om in het belang van de EG het Verdrag te ratificeren of ertoe toe te treden, onder de voorwaarden die in Besluit 2002/971 staan vermeld. De lidstaten moeten het nodige doen om de instrumenten voor bekrachtiging of toetreding binnen een redelijke termijn neer te leggen bij de IMO, zo mogelijk voor 30 juni 2006. Ook moeten ze zo spoedig mogelijk zorgen voor wijziging van het HNS-Verdrag, zodat de EG kan toetreden.
13.5.13 Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie
Het Bunkerolieverdrag werd op 23 maart 2001 aangenomen onder auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties (IMO). Het heeft tot doel de schadeloosstelling te waarborgen van personen die schade ondervinden wanneer als brandstof in scheepsbunkers vervoerde olie in zee terechtkomt. Het Verdrag is nog niet in werking getreden.
Net als bij het HNS-Verdrag (zie § 13.5.12) overlappen gedeeltes van dit Verdrag met de gebieden die worden bestreken door het afgeleide recht van de Gemeenschap terzake van de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De EG kan echter geen partij zijn bij IMO-Verdragen. Daarom heeft de Raad de lidstaten gemachtigd om het Verdrag te tekenen (bij voorkeur vóór 30 september 2002) en het te ratificeren of ertoe toe te treden (bij voorkeur vóór 30 juni 2006). Ook moeten ze zo spoedig mogelijk zorgen voor wijziging van het Bunkerolieverdrag, zodat de EG kan toetreden.