Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

12.5 Plattelandsontwikkeling

12.5.1 Overzicht van EU-regelgeving

1698/2005 (PbEU L277, 21.10.2005)

Verordening inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Gewijzigd bij Verordeningen:

1463/2006 (PbEU L277, 9.10.2006)

1944/2006 (PbEU L367, 22.12.2006)

2012/2006 (PbEU L384, 29.12.2006)

146/2008 (PbEU L46, 21.2.2008)

74/2009 (PbEU L30, 31.1.2009)

473/2009 (PbEU L144, 9.6.2009)

1974/2006 (PbEU L368, 23.12.2006)

Verordening tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening 1698/2005

Gewijzigd bij Verordeningen:

434/2007 (PbEU L104, 21.4.2007)

1236/2007 (PbEU L 280, 24.10.2007)

1175/2008 (PbEU L318, 28.11.2008)

363/2009 (PbEU L111, 5.5.2009)

482/2009 (PbEU L145, 10.6.2009)

108/2010 (PbEU L36, 9.2.2010)

2006/144 (PbEU L55, 25.2.2006)

Besluit inzake communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling

Gewijzigd bij Besluit:

2009/61 (PbEU L30, 31.1.2009)

12.5.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving en beleidsdocumenten

Kaderwet LNV-subsidies

Stb. 1997, 710 (en wijzigingen)

Wet inrichting landelijk gebied

Stb. 2006, 666 (en wijzigingen)

Regeling LNV-subsidies

Stcrt. 2007, 33 (en wijzigingen)

Regeling inrichting landelijk gebied

Stcrt. 2006, 249 (en wijzigingen)

Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011

Stcrt. 2010, 19324 (en wijzigingen)

Nationale Plattelands Strategie 2007-2013

TK 2008-2009, 29717, nr. 12

Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 voor Nederland (POP2)

Versie 6.0, 23 februari 2010

12.5.3 Doelstelling van de regelgeving

Verordening 1698/2005 voorziet in een kader voor de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten in de periode 2007 t/m 2013. Financiering van de EU-steun voor plattelandsontwikkeling in deze periode vindt plaats vanuit één fonds: het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO, opgericht bij Verordening 1290/2005[2031]). De belangrijkste doelstellingen van deze steun zijn (art. 4, lid 1):

  • verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouw door steun te verlenen voor herstructurering, ontwikkeling en innovatie;

  • verbetering van het milieu en het platteland door steunverlening voor landbeheer;

  • verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en bevordering van diversificatie van de economische bedrijvigheid.

Verordening 1698/2005 kwam in de plaats van 1257/1999 en staat bekend als de ‘tweede pijler’ van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze is gebaseerd op de GLB-hervormingen van 2003, waarbij een verschuiving van steun voor agrarische productie naar steun voor ‘multifunctionele’ landbouw centraal stond. Milieubeheer en versterking van de plattelandseconomie in bredere zin zijn belangrijke elementen van de ‘tweede pijler’.

Verordening 1974/2006 bevat gedetailleerde regels voor de uitvoering van de steun uit het ELFPO. In de ‘communautaire strategische richtsnoeren’ (Besluit 2006/144) worden de terreinen afgebakend die belangrijk zijn voor de verwezenlijking van de prioriteiten en worden opties geboden die de lidstaten kunnen gebruiken in hun nationale strategische plannen en programma's voor plattelandsontwikkeling.

12.5.4 Samenvatting van de regelgeving

Verordening 1698/2005

Deze Verordening heeft betrekking op de steun voor plattelandsontwikkeling in de periode 2007 t/m 2013. De te financieren maatregelen moeten worden uitgevoerd door de lidstaten en komen in aanmerking voor gedeeltelijke vergoeding uit het ELFPO-budget.

De Verordening is ingedeeld in negen titels. Onder Titel I worden de doelstellingen en algemene bepalingen van de Verordening uiteengezet. Titel II beschrijft de strategische aanpak van plattelandsontwikkeling die de lidstaten moeten hanteren. Iedere lidstaat moet een ‘nationaal strategisch plan’ opstellen, waarin de prioriteiten van het optreden van het ELFPO en van die lidstaat zijn vermeld, met inachtneming van de ‘communautaire strategische richtsnoeren’ (zie hierna). Titel III bevat bepalingen over de programma’s voor plattelandsontwikkeling waarmee de lidstaten het beleid moeten uitvoeren.

In Titel IV staan de specifieke steunmaatregelen, gegroepeerd in vier ‘assen’ (coherente groepen maatregelen) (zie hierna). Titel V geeft details over de bijdrage van het ELFPO aan de verschillende ‘assen’. De respectievelijke verantwoordelijkheden van de Commissie, de lidstaten en de nationale ‘beheersautoriteiten’ staan in Titel VI.

Titel VII bevat bepalingen over toezicht en evaluatie. Naast jaarlijkse verslagen over de uitvoering moeten de lidstaten in 2010 een ‘mid-term evaluatie’ en in 2015 een ‘ex post evaluatie’ uitvoeren. Titel VIII gaat in op de relatie met de EU-regels voor staatssteun. Titel IX bevat overgangs- en slotbeplaingen, waaronder de instelling van een ‘Comité voor de plattelandsontwikkeling’, dat met uitvoeringstaken is belast.

Titel IV: Steun voor plattelandsontwikkeling

Onder deze Titel worden de maatregelen beschreven die in aanmerking komen voor steun, gegroepeerd in vier ‘assen’:

As 1: Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouwsector. De maatregelen in deze ‘as’ zijn gericht op bevordering van kennis en verbetering van het menselijk potentieel (o.a. door scholing en advies); op herstructurering en ontwikkeling van het fysieke potentieel en bevordering van innovatie; en op verbetering van de landbouwproductie en landbouwproducten.

As 2: Verbetering van het milieu en het platteland. In deze ‘as’ gaat het om maatregelen om een duurzaam gebruik van zowel landbouwgrond als bosgrond te bevorderen. Bij landbouwgrond betreft het betalingen aan landbouwers in berggebieden en andere gebieden met natuurlijke handicaps; compensatie voor gemaakte kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van nadelen die worden ondervonden door de uitvoering van de Vogelrichtlijn (zie § ???), de Habitatrichtlijn (zie § ???) en de Kaderrichtlijn Water (zie § ???); ‘agromilieubetalingen’ en ‘dierenwelzijnsbetalingen’ voor landbouwers die op vrijwillige basis verbintenissen aangaan die verder gaan dan de relevante dwingende normen (zoals ondermeer vastgelegd in Verordening 1782/2003[2032]); en steun voor niet-productieve investeringen in verband met ‘agromilieu’-maatregelen of Natura 2000. Steun voor het duurzaam gebruik van bosgrond betreft de (eerste) bebossing van landbouw- en andere gronden (inclusief ‘agroforestry’), compensatie voor de gemaakte kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van beperkingen op het gebruik van bossen door de uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn; ‘bosmilieubetalingen’ (vergelijkbaar met ‘agromilieubetalingen’); herstel van het bosbouwpotentieel in bossen die door een natuurramp of brand zijn beschadigd en voor preventieve maatregelen tegen bosbranden; en niet-productieve investeringen ten behoeve van milieu of recreatie.

As 3: De leefbaarheid van het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie. Deze ‘as’ betreft steun voor diversificatie naar niet-agrarische activiteiten, micro-ondernemingen en toeristische activiteiten; basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking; dorpsvernieuwing en –ontwikkeling; instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed; opleiding en voorlichting voor economische actoren die werkzaam zijn op voornoemde terreinen; en de verwerving van vakkundigheid en dynamisering ten behoeve van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie.

As 4: ‘Leader’. Deze ‘as’ vloeit voort uit het voormalige ‘Leader’-programma (‘Liaison Entre Actions de Développement de l'Économie Rurale’). Het gaat hierbij om individuele, gebiedsgerichte projecten met een sterke betrokkenheid van lokale (publiek-private) partnerschappen. Steun is mogelijk voor de uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën; de uitvoering van samenwerkingsprojecten; en het beheer van plaatselijke groepen, de verwerving van vakkundigheid en de dynamisering van gebieden zoals bedoeld in ‘As 3’.

Voor plattelandsontwikkeling is in de periode 2007 t/m 2013 ruim 96 miljard euro aan EU-steun beschikbaar.[2033] Nederland ontvangt hiervan bijna 600 miljoen euro.

Verordening 1974/2006

Verordening 1974/2006 bevat de uitvoeringsbepalingen voor 1698/2005. Er staan ondermeer nadere bepalingen in over de nationale strategische plannen en de programma’s voor plattelandsontwikkeling. Ook worden de voorwaarden waaronder de maatregelen in de vier ‘assen’ voor steun in aanmerking komen, alsmede de financiële en administratieve bepalingen verder uitgewerkt. Bijlage VIII van de Verordening bevat een lijst van indicatoren ten behoeve van de evaluatie van de steun voor plattelandsontwikkeling.

Strategische richtsnoeren (Besluit 2006/144)

Met de ‘communautaire strategische richtsnoeren’ wordt beoogd ervoor te zorgen dat de door de lidstaten opgestelde plattelandsontwikkelingsprogramma’s afgestemd zijn op de communautaire prioriteiten. Het gaat daarbij met name om de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling (zie § ???) en de ‘Lissabonstrategie’ (inmiddels vervangen door de ‘Europa 2020 strategie’). Ook moeten de richtsnoeren zorgen voor consistentie met andere EU-beleidsterreinen (met name met het cohesie- en het milieubeleid) en de uitvoering van het nieuwe GLB begeleiden.

De zes strategische richtsnoeren zijn:

  • verbetering van de concurrentiekracht van de land- en de bosbouwsector;

  • milieu- en natuurverbetering;

  • verbetering van de kwaliteit van het bestaan op het platteland en bevordering van diversificatie;

  • ontwikkeling van de plaatselijke capaciteit voor werkgelegenheid en diversificatie;

  • zorgen voor samenhang in de programmering;

  • complementariteit van de communautaire instrumenten.

12.5.5 Achtergrond en totstandkoming van de regelgeving

Verordening 1698/2005 is de meest recente van een serie maatregelen met als doel het bieden van structurele (in plaats van productiegebonden) steun aan boeren en bosbouwers. Zulke maatregelen zijn van het begin af aan onderdeel geweest van het GLB en werden nooit volledig gefinancierd uit de GLB-begroting. Aanvankelijk vielen de diverse regelingen onder aparte Verordeningen of Richtlijnen, bijvoorbeeld die betreffende de steun voor boeren in gebieden met ongunstige productieomstandigheden. In de loop der tijd is er een trend ontstaan om ze bijeen te brengen in ‘omnibus’-Verordeningen met een aantal gemeenschappelijke regels. De onderhavige Verordening sluit aan bij deze trend door de verschillende aspecten van steun voor plattelandsontwikkeling bijeen te brengen in één fonds, het ELFPO.

In november 2008 zijn in het kader van de ‘Health Check’ van het GLB enkele prioriteiten toegevoegd aan Verordening 1698/2005 (art. 16 bis), waaronder klimaatverandering, hernieuwbare energie, waterbeheer en biodiversiteit. De daarvoor benodigde extra middelen zijn vrijgekomen door overheveling van de ‘eerste pijler’ van het GLB (prijs- en inkomenssteun) naar de ‘tweede pijler’ (deze overheveling wordt ‘modulatie’ genoemd).

12.5.6 De omzetting in nationale regelgeving

De Verordeningen zijn rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat en behoeven geen omzetting in nationale regelgeving.

Voor de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsbeleid in Nederland zijn met name de Kaderwet LNV-subsidies[2034] en de bijbehorende Regeling[2035] van belang. De staatssecretaris van EL&I stelt jaarlijks in een Openstellingsbesluit vast welke onderdelen van de Regeling voor subsidiëring worden opengesteld en wat de subsidieplafonds zijn.[2036]

Met betrekking tot gebiedsgericht beleid (landinrichting en ruilverkaveling) zijn verder de sinds 2007 van kracht zijnde Wet inrichting landelijk gebied (Wilg)[2037] en de bijbehorende Regeling[2038] van belang. In de Wilg is een belangrijke rol toebedeeld aan de provincies. Hoofdstuk 4 van de Regeling inrichting landelijk gebied bevat uitvoeringsregels voor Verordening 1698/2005. Daarin is ondermeer voorzien in de aanwijzing van de Minister van LNV als nationale beheersautoriteit.

Het ‘Nationaal Strategisch Plan’ van Nederland is de ‘Nationale Plattelandsstrategie’ (NPS). Dit document is in augustus 2006 bij de Europese Commissie ingediend. N.a.v. de goedkeuring van het programmadocument POP2 in juli 2007 is de NPS bijgesteld.

Nederland heeft voor de programmeringperiode 2007-2013 een landsdekkend Plattelandsontwikkelingsprogramma opgesteld. Dit programma (POP2) is in juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie.[2039] Naar aanleiding van de ‘Health Check’ van het GLB is POP2 in 2009 aangepast. De herziene versie is in december 2009 goegekeurd.[2040] Het herziene POP2 voorziet in ruim 1,1 miljard euro aan overheidsuitgaven, waarvan ruim de helft (bijna 600 miljoen euro) wordt gefinancierd uit het ELFPO. Voor elk van de ‘assen’ 1 t/m 3 is ruim 300 miljoen euro beschikbaar, en voor ‘as’ 4 (‘Leader’) bijna 100 miljoen.

12.5.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

In december 2010 is de ‘Mid Term’ evaluatie van POP-2 bij de Europese Commissie ingediend. [2041] Tabel 12.5.1 geeft aan de hand van output-indicatoren een indruk van de voortgang bij de maatregelen (voorzover direct milieurelevant) per ‘as’ van Verordening 1698/2005.

<!-- --> <!-- -->

Maatregel

Output-indicator

Streefwaarde 2007-2013

Gerealiseerd 2007-2009

As 1: Verbetering van het concurrentievermogen

121. Modernisering landbouwbedrijven

Aantal duurzaamheids­investeringen

750-800

82

Investeringen duurzaamheid (mln €)

324

58,7

Ammoniakreductie (kton)

3

0,1

CO2-reductie per jaar (Mton)

0,1 – 0,2

0,05

132. Deelname aan voedselkwaliteits­regelingen

Groei biologische bedrijven (aantal)

32

51

As 2: Verbetering van het milieu en het platteland

212. Betalingen voor natuurlijke handicaps

Aantal hectaren

117.000

107.143

Aantal contracten

6780

10.512

214. Agromilieu­verbintenissen

Aantal hectaren

96.000

38.174

Aantal contracten

11.500

4.826

216. Niet-productieve investeringen

Aantal contracten

360

299

221. Eerste bebossing landbouwgrond*

Aantal hectaren

2500

2366

Aantal begunstigden

250

188


* De output van maatregel 221 is voornamelijk tot stand gekomen door doorlopende contracten van vóór POP2. Er is slechts 5 ha extra bos in de periode 2007-2009 bijgekomen. Het POP2-programma draagt hiermee eigenlijk alleen bij aan continuering van eerder overeengekomen bebossing.

In december 2010 is ook het eerste ‘samenvattend strategisch rapport’ over POP-2 uitgebracht. [2042] Met betrekking tot ‘As 2’ wordt daarin vastgesteld dat de output van de gesteunde maatregelen ter bevordering van natuur en milieu op het platteland qua aantallen gesteunde bedrijven en oppervlakte weliswaar goed op koers ligt, maar dat de dalende biodiversiteit in het agrarisch gebied getuigt van een lage ecologische effectiviteit van het agrarisch natuurbeheer.

12.5.8 Verdere ontwikkelingen

In november 2010 heeft de Commissie een Mededeling gepubliceerd over de toekomst van het GLB in de periode 2014-2020.[2043] Er worden drie globale opties in beschreven. Optie 1 behelst slechts marginale veranderingen van het bestaande beleid. In optie 2 vindt een herverdeling van middelen plaats, waarbij een resultaatgerichte benadering en een evenwichtiger verdeling (tussen boeren, lidstaten en doelstellingen) voorop staan. Optie 3 behelst een meer fundamentele verandering van het systeem. In optie 3 wordt het GLB primair gericht op milieu- en klimaatdoelstellingen (via het plattelandsontwikkelingsbeleid) en zullen inkomens- en marktondersteuningsmaatregelen geleidelijk verdwijnen. In 2011 zal de Commissie nadere beleidskeuzes maken en voorstellen voor regelgeving uitbrengen.

[2031] PbEU L209, 11.8.2005.

[2032] PbEU L270, 21.10.2003.

[2033] Beschikking 2006/636 (PbEU L261, 22.9.2006), zoals gewijzigd.

[2034] Stb. 1997, 710 (en wijzigingen)

[2035] Stcrt. 2007, 33 (en wijzigingen)

[2036] Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011: Stcrt. 2010, 19324 (en wijzigingen)

[2037] Stb. 2006, 666 (en wijzigingen)

[2038] Stcrt. 2006, 249 (en wijzigingen).

[2039] Beschikking C(2007)3464 def.

[2040] Besluit C(2009) 10187.

[2041] Uitkomsten Midterm Evaluatie Plattelands Ontwikkelings Programma 2007 – 2013. Eindrapport. Ecorys, Rotterdam, december 2010.

[2042] Strategisch monitoringsrapport POP2 2007-2009. LEI, Den Haag, december 2010.

[2043] COM(2010) 672 definitief.