1198/2006 (Pb L223, 15.8.2006) | Verordening inzake het Europees Visserijfonds |
Rechtsgrondslag | Artikel 36 en 37 EG-verdrag (thans resp. art. 42 en 43 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 4 september 2006 (van toepassing op EU-steunmaatregelen vanaf 1 januari 2007) |
Indiening nationaal strategisch plan | Niet gespecificeerd (“uiterlijk bij de indiening van het operationele programma”) |
Indiening operationeel programma | Niet gespecificeerd (“op een zodanig tijdstip dat het programma zo spoedig mogelijk kan worden aangenomen”) |
Evaluatie vooraf van het operationele programma | uiterlijk bij de indiening van het operationele programma |
Tussentijdse evaluatie van het operationele programma en ‘strategisch debat’ | 31 december 2011 |
Evaluatie achteraf van het operationele programma | 31 december 2015 |
Jaarverslag van lidstaten over uitvoering | Jaarlijks voor 30 juni, m.i.v. 2008 |
Eindverslag van lidstaten over uitvoering | 31 maart 2017 |
Jaarverslag van de Commissie over uitvoering | Jaarlijks voor 31 december, m.i.v. 2008 |
498/2007 (Pb L120, 10.5.2007) (gewijzigd bij Verordening 1249/2010/EU, PbEU L341, 23.12.2010) | Verordening tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening 1198/2006 |
Bij Verordening 1198/2006 is het Europees Visserijfonds (EVF) ingesteld. Dit vormt het kader voor steunverlening aan de visserijsector in de periode 2007 t/m 2013 en is de opvolger van het ‘Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij’, dat van 2000 t/m 2006 van kracht was. In de Verordening staat waarvoor de lidstaten steun mogen verlenen en welke niveaus van cofinanciering kunnen worden gegeven. Het EVF is een centraal element in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Het vormt een aanvulling op de GVB-regels inzake de omvang van nationale vissersvloten en toevoegingen en onttrekkingen (zoals neergelegd in Verordening 2371/2002[2044], hoofdstuk III, en Verordening 1438/2003[2045]).
Het EVF moet bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het GVB, te weten een ‘exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt’ (art. 2 van Verordening 2371/2002). Meer specifiek is de steunverlening uit het EVF gericht op:
“ondersteuning van het gemeenschappelijk visserijbeleid om te zorgen voor een exploitatie van de levende aquatische rijkdommen en voor steun aan de aquacultuur, met het oog op milieutechnische, economische en sociale duurzaamheid;
bevordering van een duurzaam evenwicht tussen de levende aquatische rijkdommen en de vangstcapaciteit van de communautaire visserijvloot;
bevordering van duurzame ontwikkeling van de binnenvisserij;
versterking van de concurrentiekracht van de exploitatiestructuren en bevordering van de ontwikkeling van economisch levensvatbare ondernemingen in de visserijsector;
bevordering van de bescherming en de verbetering van het milieu en de natuurlijke rijkdommen indien er sprake is van een band met de visserijsector;
stimulering van duurzame ontwikkeling en van verbetering van de kwaliteit van het bestaan in gebieden met activiteiten in de visserijsector;
bevordering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de ontwikkeling van de visserijsector en de visserijgebieden”
(art. 4 van Verordening 1198/2006).
Deze doelstellingen laten een verschuiving zien van uitbreiding van de visserijsector naar de duurzame ontwikkeling ervan. De steun vanuit het EVF is dan ook vooral gericht op zaken als het tijdelijk stilleggen of definitief beëindigen van visserij-activiteiten, selectievere visserijmethoden, en milieuvriendelijke vormen van aquacultuur.
Verordening 498/2007 bevat uitvoeringsbepalingen voor 1198/2006. Hierin worden de verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten gespecificeerd en de prioriteiten van 1198/2006 nader uitgewerkt.
De maatregelen die in aanmerking komen voor EVF-steun zijn gegroepeerd onder vijf prioritaire zwaartepunten.
Prioritair zwaartepunt 1: Maatregelen voor de aanpassing van de communautaire visserijvloot. De steun onder deze prioriteit is expliciet gerelateerd aan de diverse EU-maatregelen ter beheersing van de EU-visserijvloten. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het slopen van een vissersschip of om investeringen in selectievere vangsttechnieken, maar ook om sociaal-economische maatregelen zoals omscholing.
Prioritair zwaartepunt 2: Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten. Op het gebied van aquacultuur is steun beschikbaar voor productieve investeringen (door kleine en middelgrote ondernemingen) en voor maatregelen inzake het aquatische milieu, de volksgezondheid en de diergezondheid. De binnenvisserij komt voor allerlei vormen van steun in aanmerking, mits een evenwichtige visstand verzekerd is en de betrokken vissers uitsluitend op binnenwateren actief zijn. Investeringen in verwerking en afzet kunnen worden gesteund voorzover het producten voor menselijke consumptie betreft.
Prioritair zwaartepunt 3: Maatregelen van gemeenschappelijk belang. Hierbij kan het gaan om:
collectieve acties van de sector, bijvoorbeeld gericht op het duurzaam bijdragen tot een beter beheer of de instandhouding van visbestanden;
bescherming en ontwikkeling van de aquatische fauna en flora;
investeringen in vissershavens, aanvoer- en beschuttingsplaatsen;
ontwikkeling van nieuwe markten en promotiecampagnes;
proefprojecten (waaronder het experimentele gebruik van selectievere vangsttechnieken);
aanpassing voor omschakeling van vissersvaartuigen.
Prioritair zwaartepunt 4: Duurzame ontwikkeling van visserijgebieden. De in aanmerking komende maatregelen zijn gericht op:
het in stand houden van de economische en sociale welvaart van visserijgebieden en het bieden van meerwaarde aan visserij- en aquacultuurproducten;
het in stand houden en uitbreiden van de werkgelegenheid in deze gebieden door steun voor diversificatie of voor de economische en sociale herstructurering ten gevolge van veranderingen in de visserijsector;
het bevorderen van de milieukwaliteit in kustgebieden;
het bevorderen van nationale en transnationale samenwerking tussen kustgebieden met visserij.
Prioritair zwaartepunt 5: Technische bijstand. Dit betreft zaken als evaluaties, toezicht, controle, voorlichting, informatieverspreiding, netwerkvorming en dergelijke.
Het budget van het EVF bedraagt voor de periode 2007 t/m 2013 ruim 3,8 miljard euro. De lidstaten zijn vrij in de verdeling over prioriteiten en maatregelen. Wel gelden er maximale percentages voor de bijdrage uit het fonds, afhankelijk van regio en activiteit.
De lidstaten moeten een ‘nationaal strategisch plan’ voor hun visserijsector opstellen, alsmede een daarop aansluitend ‘operationeel programma’ ter uitvoering van de mede uit het EVF te financieren beleidsmaatregelen en prioriteiten.
Het EU-visserijbeleid kent een lange geschiedenis. In het verleden waren de subsidies vooral gericht op productiviteitsverhoging, modernisering en herstructurering van de visserijsector. Geleidelijk is het accent echter meer komen te liggen op het duurzaam beheer van de visstand. Maar pas sinds 2002 komen bijvoorbeeld investeringen in de vissersvloot (behoudens enkele uitzonderingen) niet meer voor steun in aanmerking.
Met de introductie van het EVF kwam een programmatische benadering tot stand, waarin de door de EU vastgestelde prioriteiten, de nationale strategische plannen en de operationele programma’s richtinggevend zijn. Het bereiken van overeenstemming over de voorwaarden voor steun uit het EVF heeft nogal wat voeten in de aarde gehad, ondermeer omdat sommige van de in 2004 toegetreden nieuwe lidstaten (evenals een aantal ‘oude’ lidstaten) geen radicale hervormingen wilden. De uitkomst was een compromis waarin bijvoorbeeld geen subsidie meer wordt gegeven voor de bouw van nieuwe schepen, maar wel voor de vervanging van scheepsmotoren (wat niet leidt tot verhoging van de vangstcapaciteit, maar wel tot hogere brandstofefficiëntie) .
De Verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in iedere lidstaat en behoeven derhalve geen omzetting in nationale regelgeving.
Het Nederlandse Operationeel Programma voor de periode 2007-2013 is gepubliceerd in december 2007.[2046]
Voor Nederland is in de periode 2007-2013 een bedrag van € 49 miljoen uit het EVF beschikbaar. Dit geld wordt ondermeer gebruikt voor een verdere reductie van de vangstcapaciteit van de Nederlandse platvisvloot (onder prioritair zwaartepunt 1) en voor het versterken van samenwerking tussen actoren binnen de visketen, gericht op een duurzame visserij (onder prioritair zwaartepunt 3).
Volgens de Balans van de Leefomgeving 2010[2047] heeft het visserijbeleid onvoldoende bijgedragen aan de vermindering van overbevissing en nog niet geleid tot een duurzame visserij. Slechts eenderde van de commerciële visbestanden in de Noordzee werd in 2008 duurzaam bevist.
In april 2009 heeft de Commissie een Groenboek over de toekomst van het GVB gepubliceerd, bedoeld als basis voor een publieke discussie.[2048] Met betrekking tot overheidssteun bepleit het Groenboek een hervorming die bevorderlijk is voor de herstructurering en modernisering van de sector, de economische rendabiliteit op lange termijn helpt verbeteren en het kunstmatig in stand houden van overcapaciteit voorkomt.
In november 2009 is de Nederlandse visie op de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgesteld.[2049]
[2044] Verordening inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (Pb L358, 31.12.2002).
[2045] Verordening tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van het gemeenschappelijk vlootbeleid als omschreven in hoofdstuk III van Verordening 2371/2002 (Pb L204, 13.8.2003).
[2046] Perspectief voor een duurzame visserij. Operationeel programma 2007-2013 van de lidstaat Nederland in het kader van het Europese Visserij Fonds. Ministerie van LNV, 17.12.2007.
[2047] PBL (2010), Balans van de Leefomgeving 2010, p. 220.
[2048] COM(2009) 163 definitief.
[2049] Vis, als duurzaam kapitaal. De Nederlandse visie op het nieuwe Europese visserijbeleid. Ministerie van LNV, 2.11.2009.