2000/706/EG (PbEG L289, 16.11.2000) | Besluit betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van het Verdrag inzake de bescherming van de Rijn |
Het oorspronkelijke Rijnchemieverdrag, opgesteld door de oeverstaten Zwitserland, Frankrijk, West-Duitsland, Luxemburg en Nederland om de Rijn te beschermen tegen chemische vervuiling en de waterkwaliteit te verbeteren, gaat terug tot 1976. In 1999 is het thans geldende verdrag, genaamd het Verdrag inzake de bescherming van de Rijn, ondertekend (waardoor het Rijnchemieverdrag en het Verdrag van Bern uit 1963 worden ingetrokken) waarin de oeverstaten op meer gebieden afspraken maken, waaronder overstromingen, sedimenten, ecosystemen en de relatie met de bescherming van de Noordzee. In 2003 werd het Verdrag van kracht. Het uitvoerend orgaan is de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn (ICBR). De Europese Unie (EU) is ook partij bij het Verdrag. Het Verdrag voorziet in een strikte controle van lozingen van bepaalde stoffen in de Rijn. Prioritaire stoffen worden gecontroleerd aan de hand van grenswaarden die de ICBR vaststelt. De stoffen die in Bijlage II zijn opgenomen worden gecontroleerd door de overheden onder supervisie van de ICBR. Deze bijlagen lijken sterk op de lijsten op basis van Richtlijn 2006/11/EG betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, maar zijn niet volledig identiek. Het vaststellen van de grenswaarden gaat samen met het vaststellen van dochterrichtlijnen onder Richtlijn 2006/11/EG. In 2001 werd de opvolger van het succesvolle Rijnactieprogramma (1987-2000) vastgesteld. Het nieuwe programma ‘Rijn 2020 – Programma voor Duurzame Ontwikkeling van de Rijn’ beoogt met name een evenwicht tussen mens en natuur te bewerkstelligen. Daarmee ondersteunt dit programma zowel de Kaderrichtlijn Water als de Richtlijn over overstromingsrisico’s. Speerpunten van het programma betreffen het herstellen van biotopen ter bevordering van de biodiversiteit (waaronder de herintroductie van zalm), het controleren (monitoren) van de waterkwaliteit, bescherming van grondwater en verbetering van hoogwaterpreventie.
Daarnaast bestaat er nog een ander Verdrag met betrekking tot de Rijn: het Verdrag ter Bescherming van de Rijn tegen Verontreiniging door Chloriden (het Rijnzoutverdrag). Dit Verdrag is eveneens in 1976 in Bonn gesloten door de oeverstaten van de Rijn. Het duurde echter tot 1984 voordat Frankrijk en Luxemburg overgingen tot de ratificatie van het Verdrag. Nederland is wel partij, de EU niet.
75/437/EEG (PbEG L194 25.7.1975) | Besluit van de Raad houdende sluiting van het Verdrag door de Gemeenschap |
75/438/EEG (PbEG L194 25.7.1975) | Besluit van de Raad inzake deelneming aan de interimaire commissie |
85/613/EEG (PbEG L375 31.12.1985) | Besluit van de Raad betreffende de aanvaarding van programma’s en maatregelen inzake de lozing van kwik en cadmium |
87/57/EEG (PbEG L24 27.1.1987) | Besluit betreffende de sluiting van het Protocol, waardoor de reikwijdte van het Verdrag wordt uitgebreid naar verontreiniging van de maritieme zone via de lucht |
98/241/EEG (PbEG L96 28.3.1998) | Besluit van de Raad betreffende de geleidelijke stopzetting van het gebruik van hexachloorethaan in de non-ferrometaalindustrie |
NB: Het Verdrag van Parijs is inmiddels vervangen door het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan dat van kracht is sinds 1998 (zie § ???).
Het Verdrag werd opgesteld in 1974 om verontreiniging van het Noordoostelijk deel van de Atlantische oceaan (inclusief de Noordzee) vanaf het land te voorkomen. De oorspronkelijke ondertekenaars van het Verdrag waren de kuststaten van het gebied waarop het Verdrag betrekking heeft. Aanvankelijk nam de Commissie uitsluitend als waarnemer deel aan de voorbereidende ontmoetingen in 1973. In een later stadium werd zij gevolmachtigd om te onderhandelen over de deelname van de Unie. De Raad heeft een aantal besluiten genomen waardoor de EU verdragspartner is geworden. De Commissie vertegenwoordigt de EU met inachtneming van de instructies van de Raad. Het Verdrag beoogt de verontreiniging door de in deel I van de bijlage opgesomde stoffen volledig uit te bannen. Verontreiniging tengevolge van stoffen die in deel II van deze bijlage worden genoemd, dient drastisch te worden teruggebracht (zie ook § ??? over gevaarlijke stoffen in water).
De reikwijdte van het Verdrag is later vergroot teneinde tevens atmosferische depositie in de zee te omvatten.
84/358/EEG (PbEG L188 16.7.1984) | Besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst |
93/540/EEG (PbEG L263 22.10.1993) | Besluit van de Raad inzake de goedkeuring van bepaalde wijzigingen van de Overeenkomst |
De Overeenkomst werd in 1969 opgesteld door de kuststaten van de Noordzee. Het voornaamste doel daarbij was het op korte termijn verzekeren van samenwerking op het gebied van mankracht, bevoorrading, materieel en wetenschappelijke ondersteuning in geval van lozingen van olie of andere giftige of gevaarlijke stoffen in de Noordzee. Het totale gebied waar de Overeenkomst betrekking op heeft, is onderverdeeld in zes nationale zones waarbinnen het betreffende land de primaire verantwoordelijkheid draagt. Aanvankelijk was de EG geen partij bij de Overeenkomst, maar in 1983 is een nieuwe Overeenkomst opgesteld die de Overeenkomst uit 1969 vervangt en de EG de mogelijkheid bood om lid te worden. De Unie is nu dan ook verdragspartij (zie tevens § 4.13), naast België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De nieuwe overeenkomst gaat verder door partijen te verplichten tot het gezamenlijk vaststellen van richtlijnen voor gezamenlijke actie, het ontwikkelen van een standaardrapportagemethode voor vervuiling en het vaststellen van een secretariaat.
Getekend namens de Gemeenschap op 24.3.1983 |
Het Verdrag is onderdeel van het UNEP programma der regionale zeeën. Er zijn meerdere protocollen die verdere invulling geven aan het Verdrag: het Cartagena Protocol uit 1983 betreffende samenwerking in het tegengaan van lozingen van koolwaterstoffen, het Kingston Protocol uit 1990 betreffende speciale beschermingszones en wilde dieren in de Caribische regio, en het Protocol uit 1999 betreffende het voorkomen, verminderen en beheersen van op land gelegen bronnen en activiteiten. Dit laatste protocol is nog niet door de benodigde 9 verdragsluitende staten geratificeerd en daarmee niet in werking getreden.
Het Verdrag zelf is ondertekend en geratificeerd door drie lidstaten, namelijk door Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. De EG heeft het Verdrag wel getekend maar niet geratificeerd. Een voorstel daartoe[2059] is in 1998 ingetrokken.
90/160/EEG (PbEG L90 5.4.1990) 97/825/EG (PbEG L342 12.12.1997), p.18 | Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en de Republiek Oostenrijk anderzijds inzake de samenwerking op het gebied van de waterhuishouding in het stroomgebied van de Donau Besluit 97/825/EG van de Raad van 24 november 1997 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van het Verdrag inzake samenwerking voor de bescherming en het duurzaam gebruik van de Donau |
Het in 1994 gesloten Verdrag van Sofia vervangt het in 1987 gesloten Verdrag van Regensburg en bevat gezamenlijke maatregelen met het doel bescherming te bieden aan de Donau en het grondwater tegen verontreiniging, de stroom van de rivier te reguleren, elektriciteit uit waterkracht te genereren en de alarmsystemen onderling af te stemmen. Het Verdrag werd in 1998 van kracht. Tevens is een permanente Internationale Commissie ter bescherming van de Donau ingesteld, die onder andere belast is met de taak om de Kaderrichtlijn Water te implementeren. In februari 2010 werd op een ministeriële top van alle oeverstaten vastgesteld dat de Donau tegen 2015 significant beter beheerd moet worden.
In 1997 probeerde Spanje het besluit waarmee de Gemeenschap toetrad tot het Verdrag ongedaan te maken door de gekozen rechtsgrondslag te betwisten. Toenmalig artikel 130s (1), dat gebruikt werd voor het besluit, maakte stemming met gekwalificeerde meerderheid mogelijk. Artikel 130s (2) diende gebruikt te worden wanneer de handeling van de Gemeenschap het ‘beheer’ van water betrof en vereiste unanimiteit. Het HvJ oordeelde in zaak C-36/98 dat artikel 130s (2) alleen op kwantitatief waterbeheer betrekking had en dat het Verdrag in kwestie kwalitatief waterbeheer reguleerde. Deze bepaling is ongewijzigd gebleven na het in werking treden van het Verdrag van Lissabon (artikel 192 VwEU).
Tenslotte speelde er nog een belangrijke zaak voor het Internationale Hof van Justitie naar aanleiding van de bouw van de Nagymaros-Gabcikovadam, die tevens gelegen is in de Donau. Het Internationale Hof ging in die zaak nader in op de verplichtingen tussen landen die een rivier met elkaar delen, en op de manier waarop milieubepalingen in verdragen die zulke landen afsloten geïnterpreteerd dienen te worden.[2060]
91/598/EEG (PbEG L321 23.11.1991) | Besluit inzake de sluiting van de Overeenkomst betreffende de Internationale Commissie voor de bescherming van de Elbe |
93/114/EEG (PbEG L45 23.2.1993) | Besluit betreffende de sluiting van een Protocol |
2005/884/EG (PbEG L326 2.12.2005), p.35 | Beschikking van de Raad van 2 december 2005 tot vaststelling van de gevolgen van de toetreding van de Tsjechische Republiek en de Republiek Polen voor de deelname van de Europese Gemeenschap aan de Overeenkomst inzake de Internationale Commissie ter bescherming van de Oder tegen verontreiniging en de Overeenkomst betreffende de Internationale Commissie voor de bescherming van de Elbe |
Deze Overeenkomst is gesloten door drie partijen (Duitsland, het toenmalige Tsjechoslowakije en de EG) in oktober 1990. Bij de Overeenkomst is een commissie ingesteld die een aantal taken ter bescherming van de Elbe uitvoert, waaronder: het in kaart brengen van puntbronnen van verontreiniging, het maken van een schatting van diffuse bronnen van verontreiniging en het doen van voorstellen voor emissiegrenswaarden en kwaliteitsdoelen. De preambule van de Overeenkomst erkent de noodzaak een bijdrage te leveren aan het terugbrengen van de verontreiniging van de Noordzee.
93/550/EEG (PbEG L267 28.10.1993) | Besluit betreffende de sluiting van de Overeenkomst |
2010/655/EU (PbEU 285 van 30.10.2010) | Besluit van de Raad van 19 oktober 2010 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging |
Deze Overeenkomst is gesloten in 1990 en heeft als doel de verontreiniging door koolwaterstoffen en andere schadelijke stoffen als gevolg van ongelukken op zee terug te dringen. De Overeenkomst vult een leemte op in de internationale regelingen betreffende zeevervuiling als gevolg van ongelukken. De Oostzee, Middellandse zee en Noordzee vielen namelijk reeds onder eerder afgesloten samenwerkingsovereenkomsten.
98/249/EG (PbEG L104 3.4.1998) | Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag |
2000/340/EG (PbEG L118, 8.5.2000) | Besluit houdende goedkeuring namens de Gemeenschap van de nieuwe bijlage V inzake de bescherming en het behoud van de ecosystemen en de biologische diversiteit van het zeegebied bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, en van het desbetreffende aanhangsel 3 |
Het Verdrag is ondertekend in Parijs in september 1992 door de EG en een aantal lidstaten. Het werd van kracht in 1998 en trad daarmee in de plaats van het Verdrag van Oslo uit 1972 en het verdrag van Parijs uit 1974 (zie §???). Het Verdrag is vooruitstrevend omdat het alle onderdelen van mariene vervuilingsbronnen reguleert – van dumpen van schepen tot de toegang tot milieu-informatie. Hierbij put het Verdrag uit het hetzelfde jaar gesloten Verdrag van Rio: zo zijn het vervuiler betaalt-principe en het voorzorgsbeginsel opgenomen en is er een waarborg aanwezig voor de toegang tot informatie over milieuvervuiling, wat een primeur is voor een internationaal verdrag. Daarnaast is er een krachtige Commissie ingesteld die juridisch afdwingbare besluiten kan nemen en handhavingsbevoegdheden heeft. In de Bijlagen worden verschillende soorten vervuiling gereguleerd. Het is de bedoeling dat bepaalde chemische stoffen rond 2020 niet meer in zee terechtkomen.
95/308/EG (PbEG L186 5.8.1995) | Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag |
Dit Verdrag is voorbereid door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE). Het heeft een aantal doelen: het vaststellen van een kader voor bilaterale en multilaterale samenwerking voor de bescherming van het aquatische milieu, het voorkomen en beheersen van verontreiniging van grensoverschrijdende waterlopen en het verzekeren van rationeel gebruik van waterlopen in de UNECE lidstaten. Belangrijke internationaal milieurechtelijke principes zoals de vervuiler betaalt- en het voorzorgsprincipe zijn ook opgenomen. Het Verdrag is op 6 oktober 1996 van kracht geworden.
In juni 1999 is het Protocol met betrekking tot water en gezondheid ondertekend. Dit Protocol is opgesteld door de WHO Europa en de UNECE. Daarnaast is er een Protocol bij dit Verdrag en bij het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen (zie § ???) tot stand gekomen. Dit Protocol betreft de aansprakelijkheid en compensatie voor schade aan grensoverschrijdende wateren als gevolg van industriële ongevallen. Nederland is ook apart partij bij dit Protocol.
Vanaf 2003 is het door een Verdragswijziging voor staten die grenzen aan de Europese ruimte, zoals China en Afghanistan, mogelijk om toe te treden.
98/392/EG (PbEG L179 23.6.1998) | Besluit betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het VN Verdrag inzake het recht van de zee |
Het UNCLOS-verdrag brengt een juridisch regime tot stand dat het meest verregaand en invloedrijk is van alle internationale milieuverdragen, waarbij meer dan 150 staten partij zijn, Het is aangenomen in 1982 en is van kracht sinds 1994. Het heeft een paraplufunctie en de bepalingen hebben betrekking op bijna alle aspecten van zeeën en oceanen, waarbij veel artikelen codificaties betreffen van gewoonterecht. Enkele voorbeelden zijn milieucontrole; wetenschappelijk onderzoek; economische en commerciële activiteiten; technologie en geschillenbeslechting; gebruik van visbestanden en territoriale jurisdictie. Voor staten vloeien er met name de verplichtingen uit voort om vervuiling van de oceanen tegen te gaan en op een duurzame wijze om te springen met de natuurlijke hulpbronnen.
De EG heeft het Verdrag in 1998 geratificeerd.
Het Maasverdrag schept een kader voor internationale samenwerking ten behoeve van de integrale bescherming en het duurzaam gebruik van het stroomgebied van de Maas. Tevens strekt dit verdrag tot uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (zie § ???). Het huidige Maasverdrag is getekend in Gent op 3 december 2002[2061] en in werking getreden op 1 december 2006. Bij de ondertekening is ook de Internationale Maascommissie ingesteld. Partijen zijn Duitsland, België, de drie Belgische gewesten, Frankrijk, Luxemburg en Nederland. De EU is er niet als verdragspartij bij betrokken. Het huidige verdrag is de opvolger van een in 1994 door dezelfde partijen gesloten Maasverdrag.
Het Scheldeverdrag is net als het Maasverdrag (zie § ???) op 3 december 2002 in Gent getekend[2062], als opvolger van een eerder verdrag uit 1994. Het is op 1 december 2005 in werking getreden. Partijen zijn België, de drie Belgische gewesten, Frankrijk en Nederland. De EU is er niet als verdragspartij bij betrokken. Het verdrag is bedoeld om een kader te scheppen voor de internationale samenwerking ten behoeve van de integrale bescherming en het duurzaam gebruik van het stroomgebied van de Schelde. Tevens verplichten de Verdragsluitende Partijen zich tot internationale coördinatie om tot een enkel stroomgebiedbeheersplan te komen op grond van de Kaderrichtlijn Water (zie § ???). Het verdrag voorziet in de instelling van de Internationale Scheldecommissie.
[2059] COM(83)733.
[2060] Zie voor alle informatie over deze zaak de website van het Internationaal Gerechtshof.
[2061] Trb. 2003, 75.
[2062] Trb. 2003, 76.