14. Klimaatverandering  
Handboek Implementatie milieubeleid
EU in Nederland

 

14.3 Bewaking en beperking van broeikasgassen

14.3.1 Overzicht van EU-regelgeving

93/389/EEG (PbEG L167 9.7.93)

voorgesteld 1.6.92 –COM(92)181

Beschikking inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in de Gemeenschap

1999/296/EG (PbEG L117 5.5.1999) voorgesteld 4.9.96 –COM(96)369 gewijzigd voorstel 2.3.98 –COM(98)108

Beschikking tot wijziging van Beschikking 93/389

Rechtsgrondslag

Artikel 130s EG-verdrag (thans art. 175)

Bindende termijnen (1999/296)

 

Datum van bekendmaking

26 april 1999

Voorleggen van nationale programma’s en bijstellingen daarvan aan de Commissie

Binnen drie maanden na de kennisgeving (26 april 1999) van de beschikking c.q. binnen drie maanden na de vaststelling van het programma of de bijstelling

Doorzending naar overige lidstaten door Commissie

Binnen één maand na ontvangst

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de door de Commissie verrichte evaluatie

Binnen zes maanden na ontvangst van de nationale programma's

Nationale inventarislijsten

Op 31 december wordt verslag aan de Commissie gedaan over de CO2-uitstoot van het voorgaande kalenderjaar. Voor de andere broeikasgassen worden op 31 december de definitieve gegevens over het voorvorige kalenderjaar ingediend, samen met de voorlopige gegevens van het vorige kalenderjaar

Verspreiding van de EG inventarislijsten door de Commissie

1 maart

Verslag van lidstaten aan de Commissie van de meest recente prognoses van de uitstoot van broeikasgassen uit bijlage A van het Kyoto-protocol voor de periode 2008-2012 en voor zover mogelijk voor 2005

31 december

Verslag van de Commissie betreffende de reële en geraamde vorderingen van de lidstaten aan het Europees Parlement en de Raad

Jaarlijks

14.3.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

N.v.t.

14.3.3 Doelstelling van de Beschikking

De strekking van de Beschikking gaat verder dan de titel ervan doet vermoeden. De Commissie evalueert namelijk niet slechts de gegevens die de lidstaten aandragen over broeikasgassen, de lidstaten dienen bovendien nationale programma’s te ontwikkelen en toe te passen. Deze nationale programma’s dienen gericht te zijn op het beperken van de antropogene uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Dit alles om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Klimaatverdrag, het Kyoto Protocol (zie § 13.2) en eigen EU-doelstellingen.

14.3.4 Samenvatting van de Beschikking

Beschikking 1999/296 breidt de in Beschikking 93/289 vastgelegde verplichting tot vaststelling van nationale programma’s voor de beperking van de uitstoot van CO2 uit naar andere broeikasgassen, voorzover die niet onder het Montreal Protocol vallen. Het doel van de nationale programma’s is het leveren van een bijdrage aan de volgende doelen (art. 2, lid 1):

• De stabilisering van de CO2-uitstoot in het jaar 2000 op de waarden van 1990 in de Gemeenschap in haar geheel. Hierbij moet ervan worden uitgegaan dat andere belangrijke landen (zoals Japan) soortgelijke verbintenissen aangaan. Lidstaten waarin het aanvankelijk energieverbruik op een betrekkelijk laag niveau ligt en de per hoofd van de bevolking of op een andere geschikte basis gemeten emissies daardoor laag zijn, hebben recht op CO2-doelstellingen en/of -strategieën die overeenkomen met hun economische en sociale ontwikkeling.

• De nakoming door de Gemeenschap van de uit hoofde van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Protocol van Kyoto aangegane verbintenissen betreffende de beperking en/of vermindering van de uitstoot van alle broeikasgassen die niet onder het Protocol van Montreal vallen.

• Transparante en nauwgezette bewaking van de reële en geraamde vooruitgang van de lidstaten bij het leveren van overeengekomen nationale bijdragen tot datgene waartoe de Gemeenschap zich uit hoofde van de UNFCCC en het Protocol van Kyoto heeft verbonden.

De nationale programma’s dienen te bevatten:

1. Ramingen van het effect, tussen het referentiejaar en het jaar 2000, van beleidsinitiatieven en maatregelen tegen uitstoot en verwijderingen en de verwerking daarvan in de prognoses voor CO2 en andere broeikasgassen die niet onder het Protocol van Montreal vallen, zulks in overeenstemming met de rapporteringseisen uit de UNFCCC (art. 2, lid 2 sub a).

2. Met betrekking tot ten minste de zes in bijlage A bij het Protocol van Kyoto vermelde broeikasgassen (art. 2, lid 2 sub b):

• De referentie-uitstoot voor het jaar 1990 van CO2, CH4 en N2O en de referentie-uitstoot van HFK's (fluorkoolwaterstoffen), PFK's (perfluorkoolwaterstoffen) en SF6 (zwavelhexafluoride) voor het jaar 1990 of 1995.

• Inventarisatie van de uitstoot.

• Nadere gegevens, per gas en per sector, over de sinds het referentiejaar uitgevoerde of toegezegde nationale beleidsinitiatieven en maatregelen die een aanzienlijke bijdrage leveren aan de inspanning om de uitstoot van de broeikasgassen te verminderen en de putten[1378] verder te ontwikkelen. Deze nadere gegevens dienen informatie te bevatten over het doel van de maatregelen, de in het kader van de maatregelen gebruikte beleidsinstrumenten, de stand van zaken rond de uitvoering van het beleid of van de maatregel, alsmede, waar mogelijk, tussentijdse cijfers om de op het gebied van beleid en maatregelen geboekte vooruitgang te meten.

• Genomen of voorgenomen maatregelen voor de uitvoering van de communautaire wetgeving en beleidsmaatregelen.

• Ramingen van het effect van het beleid en de maatregelen op de emissies en de verwijdering, en verwerking van die ramingen in de prognoses voor de emissies tussen het referentiejaar en de periode 2008-2012, en voorzover mogelijk, de uitstoot tussen het referentiejaar en het jaar 2005.

3. Informatie over koolmonoxide (CO), stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische verbindingen behalve methaan (NMVOS), en zwaveloxiden, overeenkomstig de rapporteringeisen van de UNFCCC, met inbegrip van gegevens over de uitstoot, een beschrijving van de genomen of overwogen beleidsinitiatieven en emissieprognoses (art. 2, lid 2 sub c).

De lidstaten dienen op grond van de Beschikking ieder jaar (uiterlijk op 31 december) verslag uit te brengen aan de Commissie over hun antropogene CO2-uitstoot en de CO2-verwijderingen per put in het voorafgaande kalenderjaar (art. 3, lid 2). Ook de gegevens van de uitstoot per bron en de verwijderingen per put van de andere broeikasgassen wordt jaarlijks meegedeeld. Uiterlijk op 31 december dienen de lidstaten bij de Commissie hun definitieve gegevens over het voorvorige kalenderjaar in, samen met de voorlopige gegevens van het vorige kalenderjaar. De lidstaten dienen tevens (uiterlijk op 31 december) verslag uit te brengen over de meest recente prognoses inzake de uitstoot per bron en de verwijderingen per put van de broeikasgassen die zijn vermeld in bijlage A bij het Protocol van Kyoto voor het tijdvak 2008-2012, en voor zover mogelijk, voor het jaar 2005. Het jaar 2005 is het jaar waarin de geïndustrialiseerde landen volgens het Protocol van Kyoto aantoonbare vooruitgang moeten hebben geboekt bij het verwezenlijken van hun verplichtingen.

Een belangrijk punt is dat de Commissie verdere maatregelen dient te nemen ter bevordering van de vergelijkbaarheid en de transparantie van de nationale inventarissen en verslagen (art. 3, lid 2). De Commissie dient op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie inventarissen op te stellen van de antropogene uitstoot van broeikasgassen en de verwijdering per put in de Gemeenschap. Zij moet deze inventarissen jaarlijks vóór 1 maart aan alle lidstaten verstrekken (art. 3, lid 3).

De lidstaten dienden binnen drie maanden na de kennisgeving van de Beschikking (die plaatsvond op 26 april 1999) hun bestaande nationale programma's en de bijgestelde versie van de reeds toegezonden programma's aan de Commissie toe te zenden (art. 5, lid 1). De Commissie dient deze nationale programma’s binnen 1 maand door te sturen naar de overige lidstaten (art. 5, lid 2). Toekomstige nationale programma’s of herzieningen daarvan dienen binnen drie maanden na de vaststelling te worden doorgestuurd naar de Commissie.

De Commissie dient procedures, evaluatiemethoden en de herzieningstermijnen voor nationale programma’s vast te stellen (art. 4). Het doel van de evaluatie is hetzelfde als dat in de oorspronkelijke Beschikking, namelijk het vaststellen of de vooruitgang in de Gemeenschap als geheel voldoende is om te verzekeren dat de doelen van de Beschikking worden bereikt. De Commissie brengt binnen 6 maanden na ontvangst verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van haar evaluatie. Het Europees Milieuagentschap verleent de Commissie waar nodig steun bij de opstelling van dit verslag (art. 5, lid 4).

De Commissie evalueert in overleg met de lidstaten jaarlijks of de reële en geraamde vorderingen van de lidstaten, mede via de bijdrage van de communautaire maatregelen, voor het nakomen van de verbintenissen van de Gemeenschap krachtens het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, toereikend zijn. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke Beschikking is dat het rapport van de Commissie hierover dient te worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad. Het verslag van de Commissie wordt ook ter beschikking van het Europees Parlement en de Raad gesteld wanneer de door de lidstaten verstrekte gegevens onvolledig zijn. De Commissie kan in dat geval, in overleg met de betrokken lidstaat, de beste gegevens in het verslag opnemen die ter beschikking staan (art. 6).

14.3.5 Achtergrond en totstandkoming van de Beschikking

De oorspronkelijke Beschikking 93/389

De oorspronkelijke Beschikking verplichtte de lidstaten voor de beperking van hun CO2-emissies nationale programma’s op te stellen, deze te publiceren en ten uitvoer te leggen. Dit vloeide voort uit het doel dat de Gemeenschap zich heeft gesteld om de CO2-emissies in de Gemeenschap als geheel tegen 2000 te stabiliseren op de niveaus van 1990 en de verbintenis betreffende de beperking van de CO2-emissies in het Raamverdrag van de Verenigde naties inzake klimaatverandering na te leven. De nationale programma’s dienden de volgende onderdelen te bevatten:

• Gegevens met betrekking tot CO2-emissies in het referentiejaar 1990.

• De inventarissen van CO2-emissies per bron en CO2-verwijdering per put.

• Nadere gegevens inzake het nationale beleid en de nationale maatregelen die een beperking van de CO2-emissies bevorderen.

• Schema’s van de evolutie van de CO2-emissies op het grondgebied van de lidstaat tussen 1994 en 2000.

• Genomen of overwogen maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving en beleidsmaatregelen ter zake.

• Een overzicht van het beleid en de maatregelen voor een verdere uitbanning van CO2-emissies.

• Een beoordeling van de economische gevolgen van deze maatregelen.

De lidstaten brachten jaarlijks uiterlijk op 31 juli verslag uit over hun CO2-emissies per bron en CO2-verwijdering per put in het voorafgaande kalenderjaar. In samenwerking met de lidstaten en op basis van de door hen verstrekte informatie stelde de Commissie hiervan een inventaris op en binnen drie maanden na de ontvangst van de informatie van alle lidstaten zond zij hen deze inventaris toe. De Beschikking verplichtte de lidstaten ook informatie te verschaffen over de emissies van andere broeikasgassen dan CO2 die niet onder het Protocol van Montreal vallen en een beschrijving van de genomen of overwogen maatregelen ter beperking ervan. Naarmate het beleid ten aanzien van andere broeikasgassen zich ontwikkelde, dienden er ook nationale programma’s te worden opgesteld ter beperking van deze gassen.

In de artikelen 5 en 6 van de Beschikking worden de termen ‘evaluatie’ en ‘nagaan’ (assess) naast elkaar gebruikt. Er is echter wel degelijk verschil tussen deze termen, te weten:

• evaluatie van de nationale programma’s die ‘periodiek’ worden bijgesteld enerzijds;

• en een jaarlijks nagaan van de vorderingen in de Gemeenschap anderzijds.

De Beschikking gaat uit van een beoordeling door de Commissie van de voorgenomen maatregelen gericht op implementatie zoals voorgesteld in het programma zodat een beeld ontstaat van de inspanningen van de Gemeenschap als geheel. Daarnaast is er een jaarlijkse toetsing (assessment) die in overleg met de individuele lidstaten wordt uitgevoerd om te bezien of de implementatie geschiedt volgens planning.

Eerste en tweede evaluatie van nationale programma’s en het nagaan van vorderingen

Terwijl Beschikking 93/389 de Commissie verplichtte jaarlijks de vorderingen na te gaan hebben er tot 1999 slechts twee evaluaties van nationale programma’s en beoordelingen plaatsgevonden.

In de eerste evaluatie, gepubliceerd in 1994, werd als belangrijkste conclusie getrokken dat er geen garantie was dat de verbintenissen nageleefd zouden worden. De Commissie was van oordeel dat de nationale programma’s onvoldoende of niet voldoende geharmoniseerde informatie bevatte. Ook bij de tweede evaluatie, gepubliceerd in 1996, werd de informatie nog onvoldoende bevonden om goed te kunnen evalueren, hoewel de kwaliteit van de rapporten aanzienlijk verbeterd was. In het verslag van de tweede evaluatie stond vermeld dat de tekortkomingen moesten worden aangepakt en dat daarover moest worden gerapporteerd in de derde evaluatie. De laatste evaluatie is van april 1999. Het rapport vermeldde ook dat de Raad van juni 1995 de Commissie had uitgenodigd de Beschikking van 1993 inzake het bewakingssysteem te wijzigen om de bewaking uit te breiden tot na het jaar 2000. Het aannemen van het Kyoto Protocol maakte verdere wijzigingen noodzakelijk. Ook moest worden aangesloten op de afspraken die in Marrakech zijn gemaakt en diende het monitoringmechanisme een rol te kunnen spelen bij de emissiehandel in de EU.

Wijziging van de Beschikking

De Commissie stelde reeds in 1996 een wijziging voor van de beschikking. Na eerste lezing in het Europees Parlement presenteerde de Commissie in maart 1998 een gewijzigd voorstel, waarover de Raad in juni 1998 tot een gemeenschappelijk standpunt kwam. Het bewakingssysteem werd hierbij bijgesteld om het aan te passen aan de vereisten van het Kyoto Protocol. Na tweede lezing in het Parlement, waarbij nog een aantal wijzigingen werden aangebracht, trad de nieuwe Beschikking 1999/296/EG op 1 mei 1999 in werking.

Voortgangsverslagen onder 1999/296

Het eerste verslag[1379] onder de gewijzigde Beschikking liet geen bemoedigend beeld zien van de voortgang tot dusverre. Terwijl de cijfers de indruk wekten dat de EU als geheel op koers lag qua stabilisering van haar emissies op het niveau van 1990 voor het jaar 2000, was het bereiken van de vermindering waartoe de Gemeenschap zich uit hoofde van het Kyoto Protocol heeft verbonden minder zeker (zie § 14.2).Tussen 1990 en 1998 daalden de emissies van de broeikasgassen van de EU met 2,5 procent. Dit was echter voornamelijk het gevolg van twee eenmalige gebeurtenissen in twee van de lidstaten: het ineenstorten van de industrie in de Oost-Duitse deelstaten na de Duitse hereniging en de overgang van de Britse energieopwekkende industrie van steenkool naar gas. Met het bestaande beleid en de bestaande maatregelen schat de Commissie in dat de emissies slechts 1,4 procent onder het niveau van 1990 zullen liggen tegen 2010, en zelfs met aanvullende maatregelen wordt verwacht dat de emissies slechts 7 procent onder het niveau van 1990 zullen liggen. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk nemen bijna een derde van deze extra reductie voor hun rekening.

Per sector bekeken zijn de transportemissies het meest problematisch, aangezien zij tegen 1998 al 10 procent hoger lagen dan in 1990, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Finland en Luxemburg. In dat laatste land zijn ze zelfs gedaald. Ierland heeft de grootste problemen met de transportemissies, nu deze momenteel meer dan 75 procent boven het niveau van 1990 liggen, terwijl de emissies in Portugal, Spanje en Griekenland ongeveer 30 procent hoger liggen dan in 1990.

Het eerste voortgangsverslag stelde de Commissie in staat beter dan bij het eerste evaluatieverslag om de voortgang te bespreken. De bronnen en daarmee de nauwkeurigheid van de informatie liepen echter behoorlijk uiteen. Ook was er gebrek aan uitgebreide en duidelijke informatie ten aanzien van de methodieken.

De boodschap van het tweede voortgangsverslag[1380] was in grote lijnen dezelfde. In 1999 waren de broeikasgasemissies in de EU 4 procent lager dan in 1990 en met de bestaande maatregelen zou in 2010 op z’n best een stabilisatie van emissies bereikt zijn. De door de lidstaten aangedragen verdere maatregelen zouden in 2010 kunnen leiden tot een emissiereductie van 5% ten opzichte van 1990, maar om de additionele 3% te realiseren zijn extra maatregelen nodig. Opnieuw werd de transportsector aangewezen als de sector die de meeste zorgen baart.

Het derde voortgangsverslag[1381] bevestigde dat de EU had voldaan aan haar UNFCCC-doelstelling om de emissies van broeikasgassen in 2000 te stabiliseren op het niveau van 1990: feitelijk waren deze met 3,5% gedaald. De Commissie stelde vast dat naast het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ook Finland, Zweden, Frankrijk en Luxemburg op de goede weg zijn om hun Kyoto-doelstelling te halen. Niettemin was er sprake van stijgende emissies in 1999 en 2000. Zes lidstaten zijn in 2000 verder van hun streefpad verwijderd geraakt. Met name de emissies van de transportsector blijven een bron van bezorgdheid. Het verslag heeft ook betrekking op de tien kandidaat-lidstaten die naar verwachting in 2004 lid van de EU zullen worden. Geconstateerd werd dat de emissiegegevens van 1999 erop wijzen dat al deze landen, met uitzondering van Slovenië, op de goede weg zijn om hun Kyoto-doelstellingen te halen.

14.3.6 De omzetting in nationale regelgeving

Een Beschikking van de Raad is bindend voor degene aan wie hij is gericht, in dit geval de lidstaten, die nationale programma’s en inventarissen moeten opstellen. Nederland heeft de Uitvoeringsnota’s Klimaatbeleid deel 1 en 2 ingeleverd.[1382] De Uitvoeringsnota Klimaatbeleid richt zich op het beleid om de Nederlandse reductieverplichting voor broeikasgassen van 6% in de eerste budgetperiode (2008-2012) van het Kyoto Protocol en de daaruit voortvloeiende afspraken binnen de Europese Unie te realiseren.

14.3.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

De totale Nederlandse emissie van broeikasgassen bedroeg in 2001 223 miljard kg CO2-equivalenten (temperatuurgecorrigeerd). Ten opzichte van 1990 zijn de broeikasgasemissies in 2001 met bijna 3 procent toegenomen. De CO2-emissies zijn sterk gestegen als gevolg van een groeiend energiegebruik. Zo nam de elektriciteitsvraag van huishoudens en kantoren toe met ruim 40% en de CO2-uitstoot van het verkeer met 26%. Daar staat tegenover dat de emissies van de ‘F-gassen’ (HFK’s, PFK’s en SF6) sterk zijn gedaald (RIVM, 2003).

14.3.8 Verdere ontwikkelingen

In haar Mededeling inzake de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het Europees Programma inzake Klimaatverandering (EPK; zie § 14.1) kondigde de Commissie aan voornemens te zijn in de tweede helft van 2002 een voorstel tot wijziging van het bewakingssysteem in te dienen in verband met de op handen zijnde ratificatie van het Kyoto-Protocol. Uiteindelijk is dit voorstel in februari 2003 gepubliceerd.[1383] Het voorstel voorziet in de intrekking van 93/389 en in een versterkt mechanisme, met meer gedetailleerde eisen aangaande de verslaglegging door de lidstaten. Tot de nieuwe eisen behoren rapportages over de details van de nationale inventarisatiesystemen; het gebruik, de transacties en de annulering van emissierechten onder de ‘flexibele mechanismen’; en de boekhouding van emissies en verwijderingen door landgebruik en bosbouw. De verslaglegging van nationaal beleid en maatregelen gericht op het verminderen of beperken van emissies of het vergroten van de verwijdering door ‘putten’ (‘sinks’) moet meer gedetailleerd èn meer geharmoniseerd worden. Het basisjaar voor drie van de Kyoto-broeikasgassen (HFK’s, PFK’s en SF6) wordt vastgesteld op 1995, terwijl dat voor de overige drie Kyoto-broeikasgassen 1990 is.

8.1.1.19 Referenties

RIVM (2003). Milieubalans 2003. Het Nederlandse milieu verklaard. Bilthoven.



[1378] Met "putten" (een letterlijke vertaling van het Engelse "sinks") wordt gedoeld op elementen die per saldo CO2 opnemen, zoals (groeiende) bossen.

[1379] COM(2000) 749.

[1380] COM(2001) 708.

[1381] COM(2002) 702.

[1382] Tweede Kamer 1998-1999, 26 603, nr. 2 en 1999-2000, 26 603, nr. 28.

[1383] COM(2003) 51.

Terug  Volgende
14.2 Overzicht van het Nederlandse beleid  14.4 Meerjarenprogramma voor acties op energiegebied (‘Intelligente energie-Europa’)
1. Inleiding
2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid
3. De integratie van het milieu in ander EU-beleid
4. Water
5. Afval
6. Lucht
7. Gevaarlijke stoffen
8. Radioactiviteit
9. Natuur en landschap
10. Geluid
11. Milieu-effectrapportage en informatie
12. Financiële en economische instrumenten
13. Internationale verdragen
14. Klimaatverandering
I. Afkortingen
II.Chronologische lijst van Richtlijnen, Beschikkingen en Verordeningen
III. Voorgestelde wetgeving in afwachting van vaststelling
IV. Voorstellen in ontwikkeling
V. Websites m.b.t. Europees milieubeleid
Printversie
   
  klik hier om de lijst te bekijken  
Toevoegingen en wijzigingen
Homepage
Notificatieservice
EU- en Nederlandse Regelgeving
Reactieformulier
Colofon
Realisatie:
Instituut voor Milieuvraagstukken
Ministerie van VROM

Institute for European Environmental Policy (IEEP)
Copyright VROM. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze site mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ministerie van VROM. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten ontleend worden, noch jegens de samenstellers noch jegens derden.
  bovenkant pagina