Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

13.2 Atmosfeer

13.2.1 Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Verdrag van Genève of LRTAP-Verdrag)

81/462/EEG (PbEG L171 27.6.1981)

Besluit houdende sluiting van het Verdrag door de Gemeenschap

86/277/EEG (PbEG L181 4.7.1986)

Besluit betreffende de sluiting van het Protocol inzake de financiering van het programma voor bewaking en evaluatie (EMEP)

93/361/EEG (PbEG L149 24.6.1993)

Besluit betreffende de toetreding van de Gemeenschap tot het stikstofoxiden-Protocol

98/686/EEG (PbEG L326 3.12.1998)

Besluit betreffende de sluiting van het tweede protocol inzake een verdere beperking van de zwavelemissie

2001/379/EG (PbEG L134, 17.5.2001)

Besluit betreffende de goedkeuring van het protocol inzake zware metalen

2003/507/EG (PbEU L179, 17.7.2003)

Besluit betreffende de toetreding van de EG tot het Protocol inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau

2004/259/EG (PbEU L081, 19.3.2004)

Besluit van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Protocol inzake persistente organische verontreinigende stoffen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand

Het Verdrag werd opgesteld in 1979 onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE). Het Verdrag heeft als belangrijkste doel het leveren van een bijdrage aan de oplossing van het probleem van de verzuring. Het Verdrag staat open voor toetreding door leden van de UNECE en voor organisaties op het gebied van de regionale integratie. Het doel van het Verdrag is het geleidelijk doen afnemen van (grensoverschrijdende) luchtverontreiniging, waarbij het voorziet in regelingen ter bevordering van de uitwisseling van informatie, het stimuleren van onderzoek en monitoring, en de ontwikkeling van beleid dat is gericht op de terugdringing van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Om deze doelen verder uit te werken zijn er acht Protocollen van kracht, waarbij de EU lid is van zeven (het Protocol betreffende vluchtige organische stoffen is wel getekend, maar niet geratificeerd door de Unie).

Een Protocol uit 1984 voorziet in een langlopende financiering voor het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van lucht­ver­ont­rei­ni­gen­de stoffen over lange afstand in Europa (EMEP). Deze financiering dient ter dekking van de kosten van de internationale centra die deelnemen aan het programma.

Een Protocol voor de verdere reductie van zwavel is in werking getreden in 1998 en bevat een aantal reductiedoelstellingen voor de uitstoot van zwavel. Deze waarden zijn verschillend per land en hebben betrekking op de kritische belasting (‘critical loads’). Het Protocol specificeert tevens grenswaarden voor de uitstoot van zwavel voor nieuwe en bestaande stationaire verbrandingsbronnen en maximum zwavelgehalten in brandstoffen. Voorts bevat het Protocol een verplichting voor de partijen om nationale strategieën te ontwikkelen om de zwaveluitstoot zo effectief mogelijk terug te dringen.

Een ander Protocol waarbij de EU partij is, verplicht partijen de emissies van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen in 1994 op het niveau van 1987 te bevriezen.

Een in 1991 te Genève ondertekend Protocol verbindt de meeste partijen om een reductie van 30% te bereiken op de totale jaarlijkse uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) tussen 1988 en 1999. Tevens vloeide uit dit Protocol voort dat de nodige nationale strategieën ontwikkeld moesten worden om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. De EU heeft het Protocol ondertekend, maar niet geratificeerd.

Voorts zijn nog twee Protocollen ondertekend in Århus (Denemarken) in 1998. Het eerste Protocol heeft betrekking op persistente organische stoffen (‘POPs’) en bevat een toekomstig productie- en gebruiksverbod voor alle zestien stoffen, waarbij er een onmiddellijk verbod geldt voor een aantal zeer gevaarlijke stoffen. Het tweede Protocol heeft betrekking op zware metalen en heeft als doel om de uitstoot van cadmium, kwik en lood terug te brengen naar het niveau van 1990. Beide Protocollen zijn onmiddellijk getekend door de EG en al haar lidstaten en beiden zijn in 2003 van kracht geworden.

In Gotenburg is in 1999 een Protocol aangenomen dat als doelstellingen het terugdringen van verzuring en eutrofiëring alsmede het bereiken van een laag niveau van ozonverontreiniging heeft. Het Protocol bevat tevens een lijst met nationale grenswaarden voor de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en ammoniak die in 2010 gelding moeten hebben. Het Protocol is bedoeld als vervolg op het Sofia-Protocol (stikstofoxiden) en het Genève-Protocol (VOS), en zal op het moment van inwerkingtreding het tweede zwavel-Protocol uit 1994 vervangen.

Dit nieuwe Protocol heeft voor de nodige ophef gezorgd omdat het nationale grenswaarden bevat die minder streng zijn dan de waarden die werden voorgesteld door de Commissie in de ontwerp-Richtlijn inzake Nationale emissieplafonds (zie § ???). Een aantal lidstaten dat het Gotenburg-Protocol heeft ondertekend achtte het niet acceptabel dat de EG strengere grenswaarden zou vaststellen. De milieucommissaris van de EG weigerde op haar beurt om het Protocol in naam van de Gemeenschap te ondertekenen, tenzij de lidstaten zouden instemmen met de strengere EG waarden. Uiteindelijk werden bij Richtlijn 2001/81 eisen vastgesteld die deels overeenkomen met die van het Protocol en deels strenger zijn (zie § ???). In juni 2003 heeft de Raad het Besluit tot toetreding van de EG tot het Gotenburg-Protocol goedgekeurd.

13.2.2 Verdrag ter bescherming van de ozonlaag (Verdrag van Wenen)

88/540/EEG (PbEG L279 31.10.1988)

Beschikking betreffende goedkeuring van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

91/690/EEG (PbEG L377 31.12.1991)

Beschikking inzake sluiting van de (eerste) wijziging van het Protocol van Montreal (wijziging van Londen)

94/68/EG (PbEG L33 7.2.1994)

Beschikking betreffende de sluiting van de (tweede) wijziging van het Protocol van Montreal (wijziging van Kopenhagen)

2000/646/EG (PbEG L272, 25.10.2000)

Besluit betreffende de sluiting van de (derde) wijziging van het Protocol van Montreal (wijziging van Montreal)

2002/215/EG (PbEG L72, 14.3.2002)

Beschikking inzake sluiting van de vierde wijziging van het Protocol van Montreal (wijziging van Peking)

Dit is het eerste wereldwijde Verdrag met betrekking op de atmosfeer. De ozonlaag bevindt zich grotendeels in de stratosfeer en beschermt het leven op aarde tegen ultraviolette straling. Sinds de jaren zestig is er sprake van een ‘gat’ in de ozonlaag ten gevolge van de menselijke uitstoot van CFK’s, wat heeft geleid tot het sluiten van het Verdrag. Het ontstaan van het Verdrag en het daarbij behorende Protocol van Montreal worden beschreven in § ???. De EU is partij bij dit Verdrag. Het zou waarschijnlijk niet mogelijk zijn geweest om het Protocol te ratificeren zonder Verordening 3322/88 die de lidstaten van de nodige implementatie­wetgeving voor de uitvoering van het Verdrag voorzag.

Omdat het Verdrag zelf geen doelen stelt maar vier meer algemene soorten maatregelen (zoals samenwerken in onderzoek en het uitwisselen van informatie), is het Montreal Protocol aangenomen ter verdere invulling van verplichtingen. Het is het enige Protocol onder het Verdrag en is tot nu toe viermaal gewijzigd. De laatste wijziging werd in februari 2002 van kracht. Het Protocol stelt juridische verplichtingen vast ten aanzien van limieten voor de productie en uitstoot van CFK’s, maar introduceert ook de mogelijkheid tot de handel in toegestane stoffen tussen partijen, wat waarschijnlijk heeft bijgedragen tot een brede toetreding van staten.

13.2.3 Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering

94/69/EG (PbEG L33 7.2.1994)

Besluit betreffende de sluiting van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering

Aangenomen door de Raad op 23.3.1998

Besluit om het Protocol van Kyoto te ondertekenen.

2002/358/EG (PbEG L130, 15.5.2002)

Beschikking betreffende de goedkeuring van het Protocol van Kyoto en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

Het Verdrag is getekend op de conferentie over milieu en ontwikkeling die in juni 1992 in Rio de Janeiro gehouden werd en vormt een zeer belangrijk internationaal milieuverdrag. Op 21 maart 1994 werd het Verdrag van kracht. De EG heeft het Verdrag geratificeerd in december 1993.

Het Verdrag heeft als doel om de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer terug te brengen en te stabiliseren op een niveau dat geen gevaarlijke veranderingen in het wereldklimaat kan veroorzaken. De partijen bij het Verdrag moeten nationale inventariseringen van de uitstoot en nationale (of regionale) overzichten van actieplannen ter vermindering van deze uitstoot publiceren. Er was geen verplichting opgenomen om de uitstoot in 2000 op een gelijk niveau aan dat van 1990 te krijgen, maar dit was wel omschreven als een “wenselijk resultaat”. Als Verdragspartij moest de EG een programma voorleggen betreffende die zaken die onder haar competentie vielen. De Raad heeft zijn Besluit (inclusief bijlagen) gedeponeerd bij de Secretaris-generaal van de VN. Bijlage B is een “bevoegdheidsverklaring” en bevat een groot aantal juridische instrumenten die door de EG zijn aangenomen inclusief het Besluit op de bewaking en beperking van broeikasgassen (zie § ???). Bijlage C bevat de verklaring dat de in art. 4 lid 2 van het Raamverdrag neergelegde verbintenis om de uitstoot van CO2 terug te dringen “als geheel zal worden nagekomen via maatregelen die de Gemeenschap en haar lidstaten binnen hun respectieve bevoegdheden treffen”. Er is geen poging gedaan om een grens te trekken tussen de bevoegdheid van de lidstaten en die van de EG.

In Kyoto is in december 1997 een Protocol bij het Verdrag aangenomen. Het oorspronkelijke Verdrag had zoals gezegd het niet-bindende doel om de uitstoot in het jaar 2000 te stabiliseren voor partijen zoals genoemd in bijlage I van het Verdrag. Het Kyoto-Protocol richt zich echter op een terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in CO2-equivalenten) tussen 2008 en 2012 met 5% ten opzichte van de niveaus van 1990 en is daarbij juridisch bindend. Voor ‘Bijlage I partijen’ (waaronder de EG en lidstaten) worden meer gedetailleerde richtwaarden vastgesteld die bindend zijn. De EG heeft bij het Protocol een collectieve richtwaarde van een vermindering van 8% op zich genomen. Ter vergelijking: de Verenigde Staten dienen een vermindering van 7% te bewerkstelligen.[2063] Het Kyoto-protocol stelt de partijen in staat om deze reducties tot stand te brengen door middel van flexibele mechanismen, zoals het voorkomen van uitstoot van broeikasgassen in ontwikkelingslanden. De EG heeft het Protocol in 1998 getekend. Om de EG-regelgeving in overeenstemming te brengen met het Protocol moest overeenstemming worden bereikt over de wijze waarop binnen de Gemeenschap een verdeling kwam om te voldoen aan de richtwaarde van 8% vermindering (het zogeheten ‘Burden Sharing Agreement’). Het Besluit daartoe werd (inclusief het ‘Burden Sharing Agreement’) in april 2002 aangenomen.[2064] Nederland had het Protocol al een maand eerder, in maart 2002, geratificeerd. Na de ratificatie van Rusland eind 2004 trad het Protocol op 16 februari 2005 in werking. De EU probeert aan de eisen van het Kyoto-protocol te voldoen door middel van het ‘Energie- en Klimaatpakket’ dat in juni 2009 van kracht werd.

Het regime na 2012 zou oorspronkelijk vastgesteld worden op de 15de conferentie van de partijen in Kopenhagen (december 2009). Ondanks vele onderhandelingen in de aanloop naar deze conferentie bleek echter dat overeenstemming onmogelijk was. Daarom stelde de Conferentie van de Partijen slechts vast dat er “kennis wordt genomen” van het Kopenhagen-akkoord, wat geen juridische implicaties heeft in het internationale recht. Wat de inhoud betreft meldt het akkoord slechts dat de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius beperkt moet blijven. Een interessante toevoeging ten opzichte van het Kyoto-protocol is dat emissiereductie door het behoud van bossen erkend wordt. De volgende grote Conferenties van de Partijen waar verder onderhandeld zal worden naar een bindend besluit zullen plaatsvinden in Mexico en Zuid-Afrika.

[2063] De VS hebben het Protocol echter niet geratificeerd.

[2064] De ‘Burden Sharing Agreement’ zal pas bindend zijn voor de lidstaten nadat het Protocol in werking is getreden.