Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

13.4 Natuur en landschap

De afgelopen honderd jaar is de diversiteit van plant- en diersoorten (biodiversiteit) enorm snel afgenomen. Om dit tegen te gaan nemen landen nationale maatregelen, maar veel problemen zijn grensoverschrijdend omdat diersoorten zich vaak over nationale grenzen bewegen. Om zulke diersoorten te beschermen, maar ook om als internationale gemeenschap gezamenlijk druk uit te oefenen, zijn er internationale natuurverdragen gesloten.

13.4.1 Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Verdrag van Ramsar)

75/66/EEG (PbEG L21, 28.1.1975)

Aanbeveling van de Commissie aan de lidstaten om toe te treden tot het Verdrag

Het Verdrag heeft het doel de voortgaande aantasting en het verlies van watergebieden tegen te gaan en een duurzaam beheer te promoten. Het Verdrag, gesloten in 1971 te Ramsar (Iran), was daarbij de eerste internationale overeenkomst waarin specifieke habitats beschermd worden. De partijen bij het Verdrag dienen tenminste één nationaal drasland aan te wijzen, waarbij de definitie van drasland (‘wetland’) zeer ruim is omschreven. Deze gebieden moeten vervolgens ‘wijs gebruikt’ worden, waarvoor het secretariaat aanbevelingen doet. Het Verdrag is met 159 partijen en bijna 1900 aangewezen draslanden bijzonder succesvol. Het heeft deels bijgedragen aan de gunstigere perceptie die het publiek heeft van draslanden. Hoewel de EU geen partij is bij het Verdrag, is er middels de Habitat- en Vogelrichtlijn voldaan aan een strikte bescherming van veel Europese draslanden die door de partijen bij het verdrag zijn aangewezen. Het grootste beschermde gebied onder het Verdrag in Nederland is de Waddenzee, waarvan inmiddels eveneens een deel tot UNESCO werelderfgoed is verklaard.

13.4.2 Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Overeenkomst van Washington) (bekend als CITES)

338/97/EG (PbEG L61, 3.3.1997)

865/2006/EG (PbEG L 166 19.6.2006)

Verordening betreffende de uitvoering van de Overeenkomst in de Gemeenschap

Verordening houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

CITES is een verdrag dat de handel tussen landen in (producten van) bedreigde dieren reguleert om het uitsterven van soorten te voorkomen.

De CITES bepalingen zijn via Verordening 338/97 omgezet in Gemeenschapsregelgeving (zie § ???). De EU is nog geen partij bij de CITES-Overeenkomst. In 1983 is een wijziging in de Overeenkomst aangenomen die het mogelijk maakt voor regionale economische organisaties zoals de EU om toe te treden (Gaborone amendement). Deze wijziging dient geratificeerd te worden door 54 partijen (2/3 van de 80 landen die toen Partij waren). Dat is nog niet het geval. De EU neemt desondanks één gezamenlijk standpunt in op CITES bijeenkomsten door conclusies in de Raad aan te nemen. Dit is belangrijk omdat handel een exclusieve competentie is van de EU en binnen de EU in principe een vrij verkeer van goederen geldt met één Verordening waarmee CITES wordt geïmplementeerd.

Besluiten die op de Conferenties van Partijen bij de Overeenkomst zijn genomen, worden in de EU verwerkt in wijzigingen van Verordening 338/97 (wijzigingen van soorten in de bijlagen) en de uitvoeringsverordening 865/2006 (overige uitvoeringsmaatregelen).

CITES beschikt over een secretariaat in Geneve. De uitvoering geschiedt grotendeels door de douaneautoriteiten (via controles op grensverkeer) en vergunningverlenende instanties van de landen die partij zijn bij CITES. De autoriteiten in de lidstaten gebruiken de drie appendices van diersoorten die door de partijen in verschillende mate als ‘bedreigd’ zijn betiteld. Zo is de commerciële handel in de diersoorten die genoemd zijn in Appendix I verboden. De handel in diersoorten genoemd onder Appendix II is slechts toegestaan wanneer er een exportvergunning wordt gegeven door het land van herkomst. In aanvulling hierop wordt binnen de EU tevens een invoervergunning vereist. Appendix III is tenslotte bestemd voor alle diersoorten die in een specifiek land beschermd worden, waarbij de hulp van andere landen ingeroepen wordt om de export te controleren.

De opname van een diersoort in Appendix I is vaak een controversiële aangelegenheid. Het meest bekende voorbeeld hiervan is het al dan niet opnemen van de olifant in deze lijst om de handel in ivoor tegen te gaan. Begin jaren ’90, na grootschalige stroperij, is de olifant in Appendix I opgenomen. Bij het afnemen van de stroperij en toename van olifantenpopulaties in met name Zuidelijk Afrikaanse landen, zijn geleidelijk (rond 2000 – 2007) aan ook weer populaties van olifanten teruggeplaatst op bijlage II. Controversieel was verder de vraag of bestaande ivoorvoorraden verkocht mochten worden. Voorts zijn de afgelopen jaren ook veel internationale discussies gevoerd over opname op appendix II van bepaalde commerciële hout- (b.v. mahonie, ceder) en vissoorten (b.v. blauwvintonijn, waarover geen overeenstemming kon worden bereikt in 2010). In de EU worden de Appendices overgenomen als Annexen bij Verordening 338/97, waarbij Annex D ook enkele niet-CITES-soorten omvat.

13.4.3 Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (Verdrag van Canberra)

81/691/EEG (PbEG L252, 5.9.1981)

601/2004 (PbEG L97, 1.4.2004)

Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag

Verordening tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999

Het Verdrag is opgesteld in mei 1980 en werd van kracht in 1982 en heeft als doel de levende rijkdommen, in het bijzonder krill, in de Antarctische wateren in stand te houden omdat dit de basisvoedselbron is van hogere organismen zoals walwissen en zeehonden. Het Verdrag vormt een nieuw onderdeel van het Verdrag van Antarctica dat in 1959 gesloten werd om het conflict rond de status van Antarctica op te lossen. Er is tevens een Commissie opgericht die onder andere de jaarlijkse vangstquota’s vaststelt – waarbij ze gebruik maken van de data van het wetenschappelijk bureau en het voorzorgsbeginsel hanteren. De EU is partij sinds 1981 en reguleert haar Antarctische vloot middels Verordening 601/2004.

13.4.4 Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa (Verdrag van Bern)

82/72/EEG (PbEG L38, 10.2.1982)

Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag

98/746/EG (PbEG L358, 31.12.1998)

Besluit betreffende de goedkeuring van de wijziging van de bijlagen II en III

Dit Verdrag is door de Raad van Europa in september 1979 opgesteld. Het heeft als doel wilde planten en dieren (in het bijzonder bedreigde soorten) en hun natuurlijke woongebieden te beschermen. Met name wanneer onderlinge samenwerking tussen verschillende staten voor deze bescherming is vereist, is het Verdrag van belang. De Vogel- en Habitatrichtlijnen (zie respectievelijk § ??? en ???) vormen de instrumenten op Unieniveau ter implementatie van dit Verdrag. De geografische reikwijdte van het Verdrag is echter veel groter dan de EU en omvat alle landen van de Raad van Europa (behalve Rusland) alsmede Noord-Afrikaanse landen als Marokko en Tunesië.

Het Verdrag ziet op het in stand houden van wilde flora en fauna, de habitats waar deze zich ophouden, de samenwerking tussen staten en de speciale zorg voor bedreigde migrerende dieren. Hiertoe zijn Appendices opgenomen, waarin flora, fauna en habitats naar mate van de ernst van de bedreiging zijn opgenomen.

13.4.5 Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Verdrag van Bonn)

82/461/EEG (PbEG L210, 19.7.1982)

Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag

98/145/EG (PbEG L46, 17.2.1998)

Besluit over de wijzigingen in bijlagen I en II

2006/871/EG (Pb L 345 van 8.12.2006, blz. 24–25)

Besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst ter instandhouding van de Afrikaanse en Euraziatische trekkende watervogels

Dit Verdrag uit 1979 vindt haar oorsprong in de noodzaak tot bescherming van wilde dieren die geregeld landsgrenzen overschrijden. Voorbeelden hiervan zijn walvissen, trekvogels en olifanten. Het Verdrag werd in 1983 van kracht en de EU is partij.

In Appendix I staan bedreigde soorten, welke de lidstaten moeten “proberen” te behouden en waarvan ze de leefgebieden moeten herstellen. Het doden van deze dieren is verboden, tenzij een strikte uitzonderingclausule van toepassing is. In Appendix II zijn dieren met een “ongunstige overlevingsstatus” opgenomen. Voor deze dieren dienen de staten op wier grondgebied ze zich bevinden, zich in te zetten voor het sluiten van internationale overeenkomsten. In dit kader (art. IV) zijn afzonderlijke overeenkomsten gesloten ter bescherming van vleermuizen, zeehonden, kleine walvisachtigen en trekvogels. Zie voor meer informatie over specifieke overeenkomsten en zgn. Memoranda of Understanding de website van dit Verdrag.

13.4.6 Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout

85/424/EEG (PbEG L236, 3.8.1985)

Besluit betreffende de toepassing van de Overeenkomst

96/493/EG (PbEG L208, 17.8.1996)

Besluit betreffende de ondertekening en de kennisgeving van voorlopige toepassing van de Internationale Overeenkomst van 1994 inzake tropisch hout

2007/648/EG (OJ L262 of 09/10/2007

Besluit betreffende de ondertekening van voorlopige toepassing van de Internationale Overeenkomst inzake Tropisch Hardhout 2006

2173/2005/EG (Pb L 347 van 30.12.2005)

Verordening (EG) inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap

De oorspronkelijke Overeenkomst is opgesteld in het kader van UNCTAD (UN Conference on Trade and Development) en is van kracht sinds 1985. Meer dan 40 landen en de EU zijn partij bij de Overeenkomst, die tot stand kwam na wereldwijde bezorgdheid over de grootschalige kaalkap van oerwouden en het besef dat de vraag naar tropisch hardhout hier een belangrijke rol in speelde Het doel is een systeem van samenwerking en overleg op te zetten tussen producerende en consumerende landen. Duurzaam gebruik en behoud van tropische bossen spelen daarbij een belangrijke rol.

In 1994 werd overeenstemming bereikt over een vervolgovereenkomst, welke in 1996 van kracht werd. De nieuwe Overeenkomst richt zich nog steeds op de wereldwijde handel in tropisch hardhout, maar bevat ook bepalingen met een bredere strekking betreffende uitwisseling van informatie, inclusief gegevens over de handel in niet-tropisch hout. De Overeenkomst van 1994 werd voor een periode van vier jaar afgesloten, maar deze termijn is met een periode van drie jaar verlengd en een tweede verlenging met drie jaar (tot eind 2006) is voorgesteld. De Overeenkomst van 1994 wordt, evenals haar voorgangster, uitgevoerd door de International Tropical Timber Organization (ITTO). De leden van de ITTO worden onderscheiden in hout producerende- en consumerende landen.

Inmiddels is sinds 2006 een nieuwe overeenkomst tot stand gekomen die al wel door de EU, maar nog niet door de benodigde meerderheid geratificeerd is. Tot die tijd blijft de Overeenkomst uit 1994 gelden.

De EU heeft inmiddels een eigen instrument ontwikkeld: EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT). Dit instrument voorziet in de opzet van een vergunningenstelsel zodat de legaliteit van hout dat in de Unie wordt ingevoerd, gemakkelijk te controleren is. Basis van het systeem zijn de Vrijwillige Partnerschapsovereenkomsten (VPA’s), af te sluiten met derde landen. Deze overeenkomsten moeten garanderen dat het door de EU geïmporteerde hout op een legale wijze is geproduceerd en gekapt. Per maart 2013 hoopt de EU op volledig functioneren van de ‘Houtverordening’. Op dit moment heeft de EU VPA’s gesloten met Kameroen, de Centraal Afrikaanse Republiek, Ghana, Indonesië, Liberia en Congo-Brazzaville.[2065]

13.4.7 Verdrag inzake biologische diversiteit

93/626/EEG (PbEG L309, 13.12.1993)

Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag

Besluit van de Raad van 15 mei 2000

Besluit tot ondertekening van het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid

2002/628 (PbEG L201, 31.7.2002)

Besluit inzake de sluiting namens de EG van het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid

1946/2003 (PbEU L287, 5.11.03)

Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen

COM(2011)49[a]

Voorstel tot een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische bronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biologische diversiteit

[a] Voor dit Protocol is nog geen goedkeuringsbesluit genomen door de EU. Wel kan tot voorlopige toepassing van het Protocol worden overgegaan.

Het verdrag is in juni 1992 getekend door de EG en haar lidstaten tijdens de in Rio de Janeiro gehouden VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED). De doelen van het Verdrag zijn het behoud van biologische diversiteit, het duurzaam gebruik van haar onderdelen en de rechtvaardige verdeling van het voordeel dat verkregen wordt door gebruik van genetische rijkdommen (art. 1). Het Verdrag heeft betrekking op de toegang tot genetische rijkdommen, overdracht van technologieën en financiering. Iedere partij is gehouden nationale strategieën voor het behoud van biologische diversiteit te ontwikkelen en deze bovendien te integreren in ander beleid. Controverse ontstond over wie de eigenaar is van genetische rijkdommen. Mede door dit twistpunt hebben de V.S. het Verdrag niet geratificeerd. Elke partij bij het Verdrag dient ook een systeem op te zetten van zogenaamde beschermde gebieden. De Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn (zie § ??? en ???) voorzien in een deel van deze verplichtingen.

Pogingen om overeenstemming te bereiken over een Protocol met betrekking tot de grensoverschrijdende bewegingen van levende veranderde organismen (LMO’s) ofwel genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s) die een negatief effect zouden kunnen hebben op de biologische diversiteit, zijn uiteindelijk geslaagd in januari 2000. Het Cartagena Protocol werd in 2003 van kracht en introduceert een systeem van ‘voorafgaande geïnformeerde toestemming’ voor de handel in LMO’s die in het milieu terecht zullen komen. Het Protocol vereist etikettering van LMO’s die zijn ingevoerd voor gebruik als een zaaigoed of in veldproeven; de LMO’s die worden gebruikt voor voedsel of veevoer hoeven slechts te vermelden dat zij ‘mogelijk LMO’s bevatten’. Een land kan de invoer van LMO’s blokkeren op basis van het voorzorgsbeginsel, bijvoorbeeld wanneer het redenen heeft om te geloven dat er een bedreiging voor de volksgezondheid en het milieu bestaat, zelfs zonder dat dit wetenschappelijk is aangetoond. Het Protocol werd direct nadat het was opengesteld voor ondertekening (in mei 2000) getekend door de EG. In juni 2002 heeft de EG het Protocol geratificeerd. Verordening 1946/2003, aangenomen op 15 juli 2003, implementeert de bepalingen van het Protocol (zie § ???). In 2003 werd door de Commissie een verslag uitgebracht over de tenuitvoerlegging door de EG van de zgn. “Richtsnoeren van Bonn” inzake toegang tot de genetische hulpbronnen en verdeling van de voordelen in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit.[2066]

Het ‘Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische bronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biologische diversiteit’ werd eind 2010 toegevoegd aan het Verdrag. Het is een overeenkomst gericht op het delen van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische hulpbronnen op een eerlijke wijze, onder meer door het verschaffen van toegang tot genetische rijkdommen en overdracht van relevante technologieën. Het Protocol werd aangenomen tijdens de COP-10 op 29 oktober 2010 in Nagoya, Japan. Het Nagoya protocol zal tot 1 februari 2012 openstaan voor ondertekening voor de partijen bij het verdrag. Zowel Nederland als de EU tekenden het Protocol op 23 juni 2011.[2067]

13.4.8 Verdrag inzake de regulering van de walvisvangst

Besluit 2009/67 PB C 76E van 25.3.2010

Resolutie van het Europees Parlement van 19 februari 2009 over de maatregelen van de Gemeenschap voor de walvisvangst

Het Verdrag werd in 1946 nog getekend met het doel walvisvangst te reguleren om de voedselopbrengst te garanderen. Daarnaast was er ook ondersteuning voor de analyse en publicatie van wetenschappelijke informatie. Het Verdrag kan niet ondertekend worden door organisaties op het gebied van regionale integratie waardoor de EU geen partij is maar slechts de observatiestatus geniet. Jaarlijks kunnen bij de vergaderingen van de Internationale Walvisvaart Commissie met ¾ meerderheid besluiten worden aangenomen, welke een integraal onderdeel van het Verdrag vormen (het zgn. “Schedule”). Hierin staan regels voor de walvisvangst door de partijen. Hieronder is sinds 1986 tevens een moratorium op de commerciële walvisvangst opgenomen. Daarnaast zijn enkele beperkte mogelijkheden vastgelegd voor vangsten door speciale inheemse bevolkingsgroepen in enkele landen. Een algehele mogelijkheid onder het Verdrag betreft zogeheten wetenschappelijke vangsten, waar met name Japan gebruik van maakt om het moratorium op de commerciële walvisvangst te omzeilen. Het Verdrag heeft daarmee een ontwikkeling doorgemaakt van een instrument ter beheer van natuurlijke hulpbronnen tot een internationaal platform waarin ethische (vertegenwoordigd door de meeste Westerse landen) en commerciële/culturele (Noorwegen, Japan, IJsland en Groenland) belangen met elkaar botsen en waar momenteel dus een algemeen verbod op de commerciële walvisvangst geldt.

In het territorium van de EU zijn walvissen beschermd door de opname in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Daarnaast zijn er regionale overeenkomsten gesloten onder het Verdrag van Bonn (1979) die toezien op de bescherming van walvisachtigen.

13.4.9 Overeenkomst inzake de bescherming van de Alpen (Alpenovereenkomst)

96/191/EEG (PbEG L61, 12.3.1996)

98/118/EG ( PbEG L 33 van 7.2.1998)

2006/516/EG (PbEG L201 25.7.2006)

2006/655/EG: (PbEG L 271 van 30.9.2006, blz. 61–62)

2005/923/EG (PbEG L 337 van 22.12.2005)

2004/69/EG (PbEG L 14 van 21.1.2004)

Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag

Besluit betreffende de sluiting van het protocol inzake de toetreding van het Vorstendom Monaco tot de Overeenkomst inzake de bescherming van de Alpen

Besluit betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol inzake bodembescherming, het Protocol inzake energie en het Protocol inzake toerisme bij de Alpenovereenkomst

Besluit betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol inzake de toepassing van de Alpenovereenkomst van 1991 op het gebied van berglandbouw

Besluit betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap van het Protocol inzake bodembescherming, het Protocol inzake energie en het Protocol inzake toerisme bij de Alpenovereenkomst

Beschikking tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de alpiene biogeografische regio (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 4957)

Dit verdrag is in 1991 getekend door zeven landen en de EG en is het eerste Verdrag dat specifiek een berggebied beschermt. Met name de ontwikkeling van skigebieden heeft geleid tot grootschalige ontbossing en bodemerosie. Nadat het door zes landen geratificeerd was, is het in 1995 in werking getreden. Het bevat een aantal verplichtingen voor de bescherming van ecosystemen in de Alpen teneinde duurzame ontwikkeling in de Alpengebieden te verzekeren, waarbij beginselen als de vervuiler betaalt, voorzorg en samenwerking in acht genomen moeten worden. Het verdrag is aangevuld met een aantal Protocollen, betreffende landgebruik, berglandbouw, bergbossen, de bescherming van natuur en landschap, toerisme en recreatieactiviteiten, bodembescherming, energie en transport. Tenslotte is er in 2009 een Klimaatactieplan opgesteld, waarin specifieke maatregelen worden voorgesteld om de Alpen voor te bereiden op een warmer klimaat en de uitstoot van broeikasgassen in de Alpen te verminderen.

13.4.10 Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO)

COM(91)387 (PbEG C292, 9.11.1991)

OJ C van 16/12/1991, p.238

Voorstel voor een Besluit betreffende de toetreding van de EG.

De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) werd opgericht in 1945 om informatie te verzamelen en verspreiden over voeding en landbouw (in de brede zin, dus inclusief bosbouw en visserij) en technische assistentie te verlenen.

De FAO aanvaardde de EG als lid in november 1991, nadat de statuten van de FAO daartoe waren gewijzigd. Vóór deze wijziging was het namelijk niet mogelijk voor ‘regionale economische organisaties’ om toe te treden als lid. Dit was tevens de eerste keer dat de EG als zodanig werd geaccepteerd bij een organisatie van de VN. Bij besluit van 25 november 1991 is door de Raad officieel het verzoek gedaan om toe te mogen treden tot de FAO. Dit verzoek ging vergezeld van een bevoegdheidsverklaring in een aantal zaken die krachtens de statuten van de FAO tot haar taken behoorde, waaronder milieubeleid. Een nieuwe bevoegdheidsverklaring is opgesteld[2068] na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht. Deze verklaring heeft ondermeer betrekking op ontwikkelingssamenwerking.

De FAO heeft een specifiek milieurechtelijk mandaat dat heeft geleid tot het oprichten van organisaties in de visserij, gewassenbescherming, bosonderzoek en sprinkhanencontrole. Voorbeelden zijn het Actieplan voor Tropische Bossen uit 1985 en het Actieplan om illegaal, ongereguleerd en ongerapporteerd vissen tegen te gaan (2001). Inmiddels zijn onder auspiciën van de FAO meer dan 30 (regionale) verdragen gesloten.

13.4.11 Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen

1999/337 (PbEG L132, 27.5.1999)

Besluit betreffende de ondertekening van de Overeenkomst

De Overeenkomst is opgesteld in 1998 tijdens een intergouvernementele bijeenkomst onder auspiciën van de Inter-Amerikaanse Tropische Tonijn Commissie (IATTC). De Overeenkomst heeft het doel de sterfte onder dolfijnen als gevolg van tonijnvangst met sleepnetten in het oostelijk deel van Grote Oceaan te verminderen. Het initiatief is met name tot stand gekomen naar aanleiding van een importverbod van de Verenigde Staten tegen tonijn die was gevangen met gebruik van dolfijnonvriendelijke netten waar met name Mexico zich door benadeeld voelde.

Middels verordening 812/2004 worden de verplichtingen van het Verdrag geïmplementeerd in alle lidstaten van de Unie (zie § ???).

13.4.12 Internationaal Verdrag betreffende plantaardige genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (FAO)

2004/597/EG (PbEG L 267 van 14.8.2004, blz. 39–40)

Besluit tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, zoals herzien en in november 1997 goedgekeurd bij Resolutie 12/97 van de negenentwintigste zitting van de FAO-conferentie

2004/869/EG (PbEG L 378 van 23.12.2004)

Besluit betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Internationaal Verdrag inzake plant-genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw

Het doel van dit Verdrag, dat op 29 juni 2004 in werking trad, is de instandhouding en het duurzaam gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw, alsmede een billijke en rechtvaardige verdeling van de voordelen die uit het gebruik ervan voortvloeien. Het Verdrag is bedoeld als aanvulling op het Biodiversiteitsverdrag en het Cartagena-Protocol (zie § ???), die geen betrekking hebben op landbouwgewassen.

De kernbepalingen betreffende de toegang en het delen in de baten zijn van toepassing op 64 gewassen, waaronder rijst, tarwe, haver, rogge, banaan en appel. De genetische hulpbronnen van deze gewassen worden bijeengebracht in een ‘Multilateraal Systeem’ (MLS), dat moet dienen ter ondersteuning van de toegang en het delen in de baten met het oog op onderzoeks-, kweek- en opleidingsdoeleinden. De implementatie van de bepalingen betreffende de batenverdeling zal aparte onderhandelingen vergen.

Het Verdrag, dat het resultaat is van zeven jaar onderhandelen, werd in november 2001 in Rome goedgekeurd. Het is de opvolger van een niet-bindende internationale overeenkomst uit 1981.

Nederland tekende het verdrag op 6 juni 2002 en goedkeuring door het parlement volgde op 18 november 2005.

13.4.13 Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (FAO)

2004/597/EG (PbEU L267, 14.8.2005)

Besluit tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, zoals herzien en in november 1997 goedgekeurd bij Resolutie 12/97 van de negenentwintigste zitting van de FAO-conferentie

Het doel van dit Verdrag is om te komen tot een gemeenschappelijk en doeltreffend optreden ter voorkoming van het verspreiden en binnendringen van ziekten van planten en plantaardige producten en ter bevordering van het nemen van passende maatregelen ter bestrijding daarvan. Daarnaast is het Verdrag ook gericht op bescherming van natuurlijke flora en plantaardige producten.

Het verdrag omvat zowel directe als indirecte schade veroorzaakt door plantenziektes en daarmee dus ook onkruid. Een Commissie voor fytosanitaire maatregelen houdt toezicht op de uitvoering van het verdrag. Het Verdrag is in 1951 getekend (en in 1952 in werking getreden), maar is in 1979 en 1997 gewijzigd. De laatste wijzigingen zijn op 2 oktober 2005 in werking getreden.

[2065] Voor meer informative betreffende FLEGT: http://www.euflegt.efi.int/portal/. Geraadpleegd op 10 augustus 2011.

[2066] COM(2003)821.

[2068] SEC(94)437.