648/2004 (PbEG L 104 van 08/04/2004 p.1 – 35) | Verordening (EG) Nr. Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia |
907/2006 (PbEU L 168, 21.6.2006 p. 5 - 10) | Verordening van de Commissie van 20 juni 2006 ter aanpassing van Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende detergentia, ter aanpassing van Bijlagen III en VII |
1336/2008 (PbEU L 354, 31.12.2008, p. 60–61) | Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, ter wijziging van Verordening (EG) Nr. 648/2004, ter aanpassing aan Verordening (EG) Nr. 1272/2008 |
Deze Overeenkomst beperkt het gebruik van detergentia (reinigingsmiddelen) door leden van de Raad van Europa. Het Verdrag werd in 1971 van kracht. De EU is geen lid. De Unieregelgeving op dit gebied is de detergentiaverordening (zie § ???).
Aangenomen door de Raad op 15.10.1996 | Besluit inzake de sluiting van het Verdrag |
Aangenomen door de Raad op 20.10.2008 | Besluit inzake de goedkeuring van het Protocol inzake strategische milieubeoordeling |
Dit Verdrag is opgesteld door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), en is getekend in Espoo (Finland) in februari 1991 door de EG en alle lidstaten. Het Verdrag is beïnvloed door EG Richtlijn 85/337 (zie § ???). Het Verdrag heeft uitsluitend betrekking op projecten die mogelijk een belangrijke grensoverschrijdende negatieve invloed op het milieu zullen hebben. Het Verdrag geeft echter een meer gedetailleerde regeling van de te volgen stappen dan de oorspronkelijke Richtlijn. Richtlijn 97/11 heeft 85/337 gewijzigd om de regelgeving in overeenstemming te brengen met het Verdrag. In 1997 is het Verdrag van kracht geworden. Het is zowel door de EG als door Nederland geratificeerd.
In november 2001 heeft de Raad een Besluit aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd om namens de EG te onderhandelen over een Protocol inzake strategische milieubeoordeling. Dit Protocol is in mei 2003 in Kiev tot stand gekomen, en trad in werking op 11 juli 2010. De EG heeft al eerder regelgeving inzake strategische milieubeoordelingen aangenomen, te weten Richtlijn 2001/42/EG (zie § ???).
SEC(91)750 | Mededeling aan de Raad betreffende de onderhandelingen |
Het Verdrag is opgesteld door de Raad van Europa. Het is getekend in Lugano in juni 1993 door verschillende landen waaronder enkele EG-lidstaten (Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland) en het zal van kracht worden wanneer het door drie partijen is geratificeerd, wat echter onwaarschijnlijk is geworden. Ook de EG heeft het Verdrag niet getekend hoewel dit volgens de tekst van het Verdrag wel mogelijk is. Tijdens de onderhandelingen in 1992 heeft de Raad de Commissie een volmacht gegeven om te onderhandelen voor de gebieden die onder de bevoegdheid van de EG vallen. Het doel van het Verdrag is te voorzien in een adequate vergoeding voor schade die het gevolg is van activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, bijvoorbeeld professionele activiteiten die het gebruik van gevaarlijke stoffen, genetisch gemanipuleerde organismen en micro-organismen met zich brengen. De exploitatie van vuilstortplaatsen of verwerkingsinstallaties vallen eveneens onder het Verdrag. Het Verdrag introduceert een civiel aansprakelijkheidsregime dat erg ver gaat in het stellen van aansprakelijkheid door deze bij de houder te leggen en door geen limitering toe te staan.
In 2004 is een EU-Richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid van kracht geworden, die echter minder ver gaat dan het Verdrag van Lugano (zie § ???).
2004/491/Euratom (PbEG L 172 van 6.5.2004, blz. 7–8) | Besluit van de Commissie van 29 april 2004 tot wijziging van Besluit 1999/819/Euratom betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) tot het Verdrag inzake nucleaire veiligheid van 1994 met betrekking tot de daaraan gehechte verklaring |
2009/71/Euratom (PbEU L 172 van 2.7.2009, blz. 18–22) | Richtlijn van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties |
Het doel van dit Verdrag, dat werd geïnitieerd door het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, is het verzekeren van een hoog veiligheidsniveau in nucleaire installaties over de gehele wereld. Het Verdrag werd opengesteld voor ondertekening in september 1994 en bevat algemene veiligheidsprincipes die de verdragspartijen moeten integreren in hun nationale regelgeving, zonder handhavingsmogelijkheden voor te schrijven. Inmiddels zijn alle landen die gebruik maken van nucleair energie partij bij dit Verdrag.
Een vernieuwde Raamwerkrichtlijn is inmiddels aangenomen door de Raad en heeft veel bepalingen uit het Verdrag grotendeels overnemen.
98/685/EEG (PbEG L326, 3.12.1998) | Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag |
Het Verdrag is opgesteld door de UNECE in 1992 en heeft als doel de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen industriële ongelukken die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben. Men hoopt dat het Verdrag de basis kan vormen voor de bevordering van een actieve internationale samenwerking voor, tijdens en na een dergelijke ramp. De inhoud van het Verdrag is sterk beïnvloed door EG-regelgeving op dit gebied (Seveso-richtlijn, zie § ???), hoewel het Verdrag meer strikte eisen stelt aan de definitie van ‘gevaarlijke activiteiten’. Ondanks deze verschillen heeft de EG het Verdrag geratificeerd in 1998, met een voorbehoud ten aanzien van de definitie van ‘gevaarlijke activiteiten’. Wat locus standi betreft gaat het Verdrag verder dan het Verdrag van Espoo (zie § ???), omdat het aan (rechts)personen in een grensoverschrijdende situatie eenzelfde rechtsgang verzekert als onder het nationale recht. In april 2000 is het Verdrag in werking getreden. De aangepaste Seveso-richtlijn (‘Seveso II’) heeft de Europese regelgeving in overeenstemming gebracht met het Verdrag.
Inmiddels is een nieuw Protocol bij dit Verdrag en bij het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren (zie § ???) tot stand gekomen. Dit Protocol betreft de aansprakelijkheid en compensatie voor schade aan grensoverschrijdende wateren als gevolg van industriële ongevallen. Het is in mei 2003 in Kiev ondertekend.
98/216/EEG (PbEG L83, 19.3.1998) | Besluit betreffende de sluiting van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming |
Dit Verdrag, dat is aangenomen in juni 1994, heeft als doel de oorzaken van droogte (in het bijzonder in Afrika) te bestrijden en de gevolgen te verminderen. Een van de vier bijlagen bij het verdrag heeft betrekking op het noordelijk deel van de Middellandse zee. Het Verdrag is van kracht sinds december 1996. De EG is sinds 1998 partij.
2005/370/EG (PbEG L 124 van 17.5.2005, blz. 1–3) | Besluit betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden |
Het Verdrag is opgesteld onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) en is in juni 1998 opengesteld voor ondertekening. Het is onmiddellijk ondertekend door de EG en al haar lidstaten (behalve Duitsland, dat later alsnog heeft getekend). Het werd in 2001 van kracht.
Binnen het Verdrag zijn drie ‘pilaren’ te onderscheiden: toegang tot milieu-informatie, toegang tot de rechter in milieuzaken en deelname aan het besluitvormingsproces van beslissingen die gevolgen hebben voor het milieu. Omdat er in het Europees recht al instrumenten bestonden over bovengenoemde onderwerpen is de implementatie van het Verdrag niet helemaal volgens de pilarenstructuur geschied.
Zo is er inmiddels voldaan aan de verplichtingen voor zover het de instellingen van de EU betreft middels Verordening 1367/2006. De pilaar die betrekking heeft op toegang tot informatie heeft tot een wijziging van EG Richtlijn 90/313 geleid door Richtlijn 2003/4/EG, die ruimere toegang tot informatie biedt voor het publiek (zie § ???). In Richtlijn 2003/35/EG (zie § ???) worden eerdere Richtlijnen over participatie in het beslissingsproces samengevoegd en gewijzigd om in lijn te komen met het Verdrag. In beide Richtlijnen zijn echter ook clausules opgenomen die toegang tot de rechter waarborgen. Echter, de toegang tot de rechter is de enige pijler die nog niet verwezenlijkt is in de EU omdat het voorstel dienaangaande nooit goedgekeurd is door de Raad.
Het belangrijkste gevolg van het Verdrag is dat de instellingen van de EU voor het eerst onder de ‘toegang tot informatie’-bepalingen vallen (art. 2, onder d). De paragrafen die betrekking hebben op publieke participatie zijn eveneens grotendeels gebaseerd op EU-regelgeving, met name op de m.e.r.-Richtlijn (zie § ???) en de IPPC-Richtlijn (zie § ???). Op een aantal belangrijke onderdelen heeft het Verdrag de EU-regelgeving aangescherpt.
2006/730/EG (PbEG L 299 van 28.10.2006, blz. 23–25) | Besluit betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel |
Het Verdrag is tot stand gekomen onder auspiciën van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) en het Milieuprogramma van de VN (UNEP). Het vervangt een aantal door de FAO en UNEP in 1989 vrijwillig vastgestelde richtsnoeren en heeft als doel de internationale regelgeving op het gebied van de invoer en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemicaliën (inclusief bestrijdingsmiddelen) te verbeteren. Radioactieve materialen vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag. Wanneer het Verdrag in werking treedt dient voorafgaand aan de eerste uitvoer van chemicaliën die staan opgesomd in bijlage III of die verboden of zeer streng beperkt zijn in het land waar naartoe zal worden geëxporteerd, melding te worden gemaakt. Voor chemicaliën die niet staan opgesomd in bijlage III is tevens een mededeling vereist voor de eerste uitvoer in elk volgend jaar.
Inmiddels is met Verordening 689/2008 aan de vereisten voldaan.[2069](zie § ???).
De Commissie heeft het Verdrag in naam van de EG getekend in 1998. In december 2002 heeft de EU het Verdrag geratificeerd. Op 24 februari 2004 is het Verdrag in werking getreden.
2006/507/EG (PbEG L 209, 31.7.2006, p. 1–2) | Besluit betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen |
Dit verdrag is tot stand gekomen in het kader van de UNEP en is in mei 2001 in Stockholm opengesteld voor ondertekening. Het belangrijkste doel is het elimineren van doelbewust geproduceerde persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) en het voortdurend minimaliseren en zo mogelijk elimineren van POP’s die onbedoelde bijproducten zijn. Het Verdrag voorziet in een kader om te zorgen voor de eliminatie/minimalisatie van 12 prioritaire (groepen van) POP’s die ook zijn opgenomen in het (in het kader van de UNECE tot stand gekomen) POP-Protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (zie § ???). Het gaat daarbij om: aldrin, chloordaan, dieldrin, endrin, heptachloor, hexachloorbenzeen, mirex, toxafeen, PCB’s, DDT, dioxinen en furanen.
De EG en de meeste lidstaten hebben het Verdrag in 2001 ondertekend. In november 2004 is het door de EU geratificeerd.
98/181/EG, EGKS, Euratom (PbEG L69, 9.3.1998) | Besluit betreffende sluiting van het Verdrag en het protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten |
Het Energiehandvest van 1994 richt zich op vijf brede terreinen: de bescherming en bevordering van buitenlandse energie-investeringen; vrije handel in energiedragers, -producten en energiegerelateerde apparatuur; vrije doorvoer van energie door pijpleidingen en netwerken; mechanismen voor het beslechten van geschillen; en energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten. De milieuaspecten worden behandeld in art. 19 van het Verdrag, waarin staat dat de partijen ernaar streven schadelijke milieueffecten van de energiecyclus ‘op economisch verantwoorde wijze zo gering mogelijk te houden’. Het doel van het afzonderlijke Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten is het definiëren van beleidsprincipes voor de bevordering van energie-efficiëntie en daarmee de negatieve milieueffecten van energie te reduceren.
Het Handvest is ontwikkeld op basis van het Europese Energiehandvest van 1991, dat voor het eerst werd voorgesteld op de Europese Raad in Dublin in 1990. Het was een initiatief van de toenmalige Nederlandse premier Lubbers, die het zag als een manier om de economische ontwikkeling in Oost-Europa en de toenmalige Sovjet-Unie te steunen. Er bestond ook grote belangstelling in het westen voor het verkrijgen van toegang tot de energiebronnen, met name de gasvoorraden in de Sovjet-Unie. Aanvankelijk was het Energiehandvest een politieke intentieverklaring om Oost-West-samenwerking op energiegebied te bevorderen. Na drie jaar onderhandelen werd het omgezet in een bindend Verdrag. Het Verdrag en het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten werden in december 1994 ondertekend en werden in april 1998 van kracht.
Het Verdrag raakt aan elk van de drie destijds bestaande Europese Gemeenschappen: de Europese Gemeenschap (EG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)[2070] en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). In oktober 1999 hadden de Europese Gemeenschappen en alle 15 lidstaten het Verdrag en het Protocol geratificeerd of waren ertoe toegetreden. In mei 2010 waren meer dan 50 landen en de EU lid bij het Verdrag. Rusland kondigde in augustus 2009 officieel aan het Verdrag niet te zullen ratificeren en het ook niet langer te zullen toepassen in de praktijk.
2005/510/Euratom (PbEG L 185 van 16.7.2005, blz. 33–34) | Beschikking betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie tot het „Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en de veiligheid van het beheer van radioactief afval” |
2005/84/Euratom (PbEG L 030 van 3.2.2005 blz. 10 -11) | Besluit tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie tot het „Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval” |
Het Gezamenlijk Verdrag werd in september 1997 opengesteld voor ondertekening en trad in werking op 18 juni 2001. De doelstellingen van het Verdrag zijn: het bereiken en handhaven over de gehele wereld van een hoog niveau van veiligheid op het gebied van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval, het zorgen voor doeltreffende beschermingsmaatregelen tegen mogelijke risico’s tijdens alle stadia van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval teneinde individuen, de maatschappij en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ioniserende straling, en het voorkomen van ongelukken met radiologische gevolgen en het verminderen van die gevolgen. Het Gezamenlijk Verdrag heeft betrekking op afgewerkte splijtstoffen en radioactief afval van civiele toepassingen en op niet langer gebruikte, gesloten bronnen van radioactiviteit.
Binnen de EU liggen de meeste bevoegdheden voor een veilig beheer van afgewerkte splijtstoffen en radioactief afval bij de lidstaten. Nederland heeft het Verdrag geratificeerd. Op sommige terreinen is er echter sprake van een duidelijke bevoegdheid voor de Unie, bijvoorbeeld met betrekking tot het opstellen van basisnormen voor de bescherming van werkers en het publiek tegen de gevaren van ioniserende straling (zie § ???).
2002/762/EG (PbEG L256, 25.9.2002) | Beschikking waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de EG het Verdrag te ondertekenen, te bekrachtigen of toe te treden tot het Verdrag |
Het Bunkerolieverdrag werd op 23 maart 2001 aangenomen onder auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties (IMO). Het heeft tot doel de schadeloosstelling te waarborgen van personen die schade ondervinden wanneer als brandstof in scheepsbunkers vervoerde olie in zee terechtkomt. Het Verdrag is op 21 november 2008 in werking getreden.
Gedeeltes van dit Verdrag overlappen met de gebieden die worden bestreken door het afgeleide recht van de Unie terzake van de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De EU kan echter geen partij zijn bij IMO-Verdragen.
2004/246/EG (PbEU L78, 16.3.2004) | Beschikking houdende machtiging van de lidstaten om in het belang van de Europese Gemeenschap het Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie van 1992 te ondertekenen, te bekrachtigen of ertoe toe te treden en houdende machtiging van Oostenrijk en Luxemburg om in het belang van de Europese Gemeenschap toe te treden tot de basisakten |
Het doel van het Verdrag is om schadevergoeding uit te keren voor de verontreiniging door olie afkomstig van olielozingen van tankers. Het Verdrag werd in 1996 van kracht en vervangt een Verdrag uit 1971 met dezelfde naam. Het Fonds vult het Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie van 1992 aan. Dit laatste verdrag regelt de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar, terwijl het Fonds wordt gefinancierd uit de bijdragen van maatschappijen of andere organisaties die over zee aangevoerde olie afnemen. Indien bij een ongeluk verontreiniging plaatsvindt, is in principe degene aansprakelijk voor het betalen van de schadevergoeding die daarvoor is aangewezen onder het Verdrag over de wettelijke aansprakelijkheid. Als de schade groter is dan de beschikbare schadevergoeding, dan kan een extra bedrag door het Fonds uitgekeerd worden. Op deze manier zorgt het systeem van de twee verdragen ervoor dat de last van de schadevergoeding meer evenredig is verdeeld tussen de scheepseigenaar en de afnemers van de lading.
In mei 2003 nam de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties een Protocol aan betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor Vergoeding van Schade door Verontreiniging door Olie. Het doel hiervan is de schadevergoeding die mogelijk wordt gemaakt via het Fondsverdrag en het Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie van 1992 aan te vullen met een derde mogelijkheid voor schadevergoeding. Ondertekening van het Protocol is optioneel en is mogelijk voor alle partijen bij het Fondsverdrag.
Net als bij het andere IMO Verdrag (zie § ???), is ook hier overlap met bepaalde Uniewetgeving over de rechtsbevoegdheid en de handhaving van gerechtelijke uitspraken, gebieden waar de Unie volledige bevoegdheid over heeft. De EU kan echter geen partij zijn bij de IMO Verdragen.
[2069] Aan het beginsel van ‘voorafgaande geïnformeerde toestemming’ (Prior Informed Consent, PIC) was in de EU-regelgeving al uitvoering gegeven via Verordening 2455/92. Deze moest echter moeten worden aangepast met het oog op het Verdrag. Daartoe is Verordening 304/2003 ontwikkeld, die echter volgens het Hof een verkeerde rechtsbasis had.
[2070] De EGKS bestaat sinds 2002 niet meer.