14. Klimaatverandering  
Handboek Implementatie milieubeleid
EU in Nederland

 

14.9 Elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen

14.9.1 Overzicht van EG-regelgeving

2001/77/EG (PbEG 27.10.2001)

voorgesteld 10.5.2000 –COM(2000)279

gewijzigd 28.12.2000 – COM(2000)884

Richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt

Rechtsgrondslag

Artikel 175 lid 1 EG-verdrag

Bindende termijnen

Omzetting in nationale regelgeving

27 oktober 2003

Vaststelling streefcijfers door lidstaten

27 oktober 2002 en daarna om de 5 jaar

Systeem voor garantie van oorsprong gerealiseerd door lidstaten

27 oktober 2003

Verslag over beoordeling van bestaande wet- en regelgevingskader door lidstaten

27 oktober 2003

Verslag over verwezenlijking streefcijfers door lidstaten

27 oktober 2003 en vervolgens om de 2 jaar

Conclusies van de Commissie over voortgang

27 oktober 2004 en vervolgens om de 2 jaar

Verslag van de Commissie over ervaring met nationale steunregelingen

27 oktober 2005

Samenvattend verslag van de Commissie over uitvoering Richtlijn

31 december 2005 en vervolgens om de 5 jaar

14.9.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving en uitvoeringsdocumenten

Wijziging Elektriciteitswet 1998 (voorgesteld)

TK 2002-2003, 28 782, nrs 1-2

Overige financiële stimuleringsmaatregelen (o.a. REB-reductie, EIA en CO2-reductieplan)

 

Bestuursovereenkomt Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW), 10 juli 2001

Convenant kolencentrales en CO2-reductie, 24 april 2002

 

Energierapport 2002

TK 2001-2002, 28 241, nr. 2

  

14.9.3 Doelstelling van de Richtlijn

De Richtlijn heeft ten doel een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen[1425] in de elektriciteitsproductie binnen de interne elektriciteitsmarkt te bevorderen en de grondslag te leggen voor een toekomstige kaderregeling van de Gemeenschap daarvoor (art. 1).

14.9.4 Samenvatting van de Richtlijn

Op grond van de Richtlijn moeten de lidstaten indicatieve streefcijfers vaststellen voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in hun binnenlandse elektriciteitsverbruik. Hoewel deze streefcijfers niet bindend zijn, is het doel ervan bij te dragen aan een groei van het aandeel van hernieuwbare bronnen in het totale energiegebruik van de EU van 6 procent naar 12 procent in 2010. Daartoe moet het aandeel van hernieuwbare bronnen in de elektriciteitsproductie stijgen naar 22,1 procent. Bij het vaststellen van de streefcijfers tot het jaar 2010 moeten de lidstaten rekening houden met de in de bijlage van de Richtlijn opgenomen referentiewaarden (zie Tabel 14.9.1) en met hun verplichtingen die voortvloeien uit het Kyoto Protocol (zie § 14.1). Als de nationale indicatieve streefcijfers niet met het algemene streefcijfer verenigbaar zijn, dan kan de Commissie onder bepaalde voorwaarden bindende nationale streefcijfers vaststellen.

Tabel 14.9.1 Aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in bruto elektriciteitsverbruik in 1997 en referentiewaarden voor nationale indicatieve streefcijfers in 2010 (in %)

Lidstaat

1997

2010

Oostenrijk

70,0

78,1

België

1,1

6,0

Denemarken

8,7

29,0

Finland

24,7

31,5

Frankrijk

15,0

21,0

Duitsland

4,5

12,5

Griekenland

8,6

20,1

Ierland

3,6

13,2

Italië

16,0

25,0

Luxemburg

2,1

5,7

Nederland

3,5

9,0

Portugal

38,5

39,0

Spanje

19,9

29,4

Zweden

49,1

60,0

Verenigd Koninkrijk

1,7

10,0

EU

13,9

22

8.1.1.21.1 Steunregelingen (art. 4)

De Richtlijn draagt de Commisie op om uiterlijk op 27 oktober 2005 te komen met een verslag over de ervaringen met het naast elkaar bestaan van verschillende nationale steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Zo nodig kan zij daarbij een voorstel doen voor een communautaire kaderregeling betreffende steunregelingen.[1426]

8.1.1.21.2 Garantie van oorsprong (art. 5)

Uiterlijk op 27 oktober 2003 moeten de lidstaten zorgen voor een systeem van garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Daarmee moeten producenten in staat worden gesteld aan te tonen dat de elektriciteit die zij verkopen uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. In principe dienen de lidstaten elkaars garanties van oorsprong te erkennen.

8.1.1.21.3 Administratieve procedures (art. 6)

De lidstaten moeten hun bestaande wet- en regelgeving beoordelen teneinde belemmeringen voor verhoging van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen te verkleinen en te zorgen voor objectieve, transparante niet-discriminerende regels. Zij dienen daarover uiterlijk op 27 oktober 2003 een verslag te publiceren.

8.1.1.21.4 Aspecten van het net (art. 7)

De lidstaten moeten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de netbeheerders op hun grondgebied de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen garanderen. Zij kunnen aan deze elektriciteit voorrang verlenen voor de toegang tot het net. Bij de dispatching van opwekkingsinstallaties moet voorrang aan elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden gegeven, voorzover het systeem dat toelaat.

Regels voor de aansluiting op het net voor nieuwe producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moeten gebaseerd zijn op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria. De lidstaten kunnen de kosten hiervan zo nodig ten laste leggen van de netbeheerders. Bij de heffing van transmissie- en distributietarieven mag elektriciteit uit hernieuwbare bronnen niet worden benadeeld.

8.1.1.21.5 Samenvattend verslag (art. 8)

De Commissie moet uiterlijk op 31 december 2005 (en vervolgens om de vijf jaar) een samenvattend verslag over de uitvoering van de Richtlijn bij het Europees Parlement en de Raad indienen, zo nodig vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

14.9.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

Over deze Richtlijn werd ongebruikelijk snel overeenstemming bereikt (binnen 16 maanden na de datum van formele indiening), ondanks een aantal aanzienlijke meningsverschillen tussen de EU-instellingen. Aan de indiening van het voorstel was echter een lange en nogal moeizame geschiedenis voorafgegaan. Al in december 1996 werd in een Groenboek over hernieuwbare energiebronnen[1427] vastgesteld dat er grenzen waren aan wat bereikt kon worden met financiële middelen (zie § 14.4) en werd gesteld dat marktimperfecties een belangrijkere belemmering voor hernieuwbare energie waren dan technologische beperkingen. Ook werd daarin de doelstelling voorgesteld van 12 procent energie uit hernieuwbare bronnen als aandeel in de totale energievoorziening in 2010.

De eerste pogingen om te komen tot een Richtlijn werden begin 1999 afgeblazen toen bleek dat verscheidene lidstaten bezwaren hadden tegen onderdelen van het voorstel. Toch riep de Energieraad in mei 1999 op tot een ‘kader’voorstel van de Commissie. Dit leidde in het jaar daarop tot een nieuw voorstel voor een Richtlijn.

Het Europees Parlement behandelde het voorstel in eerste lezing in november 2000 en gaf te kennen het op diverse punten te willen aanscherpen. Daartoe behoorde de wens om bindende in plaats van indicatieve doelstellingen voor de lidstaten op te nemen. Ook was het Parlement het niet eens met het voorstel van de Commissie om afvalverbranding op te nemen in de definitie van hernieuwbare energiebronnen. Volgens het Parlement zou dat in strijd zijn met de afvalhiërarchie van de EU (zie § 5.1), omdat de verbranding van ongesorteerd afval erdoor gestimuleerd zou worden.

In maart 2001 nam de Raad in zijn Gemeenschappelijk Standpunt ongeveer 1/3 van de door het Parlement voorgestelde wijzigingen over. Over een aantal essentiële zaken bestond echter verschil van mening. De Raad verwierp het opnemen van bindende doelstellingen en het verwijderen van afvalverbranding uit de definitie van hernieuwbare bronnen.

Gezien de nogal fundamentele aard van deze verschillen was het verrassend dat via informele onderhandelingen tussen Parlement, Raad en Commissie al in juni 2001 een compromis over alle belangrijke geschilpunten overeengekomen kon worden. Hierdoor was er al een akkoord bereikt vóór de lweede lezing in het Parlement, zodat de conciliatieprocedure vermeden kon worden. De kwestie van de doelstellingen werd opgelost door overeen te komen dat de streefwaarden in eerste instantie indicatief zouden zijn, zoals de Raad wilde, maar dat de Commissie in een later stadium bindende doelstellingen zou kunnen voorstellen als de lidstaten onvoldoende vooruitgang zouden vertonen bij het realiseren van de streefwaarden. De Raad was niet bereid tot concessies wat betreft het onder de Richtlijn laten vallen van afvalverbranding. Wel werd overeengekomen dat het daarbij alleen om biologisch afbreekbaar afval zou gaan en dat dit alleen voor steunverlening in aanmerking zou komen als de EU-afvalhiërarchie daardoor niet ondermijnd zou worden. Laatstgenoemde bepaling impliceert dat de Commissie van geval tot geval zal moeten beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan, hetgeen het vooruitzicht oproept van juridische procedures bij nationale steunmaatregelen voor afvalverbranding.

14.9.6 De omzetting in nationale regelgeving

Ter implementatie van Richtlijn 2001/77 heeft de regering in februari 2003 bij de Tweede Kamer een voorstel ingediend tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de bevordering van de opwekking van duurzame elektriciteit.[1428] Het voorstel voorziet ondermeer in de totstandbrenging van een systeem van garanties van oorsprong (conform art. 5 van de Richtlijn).

14.9.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

De ‘indicatieve streefwaarde’ van 9% elektriciteit uit hernieuwbare bronnen is ondermeer terug te vinden in het Energierapport 2002[1429].

De productie en het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zijn en worden in Nederland gestimuleerd met behulp van diverse beleidsinstrumenten. Zo is de markt voor ‘groene’ elektriciteit al sinds 1 juli 2001 geheel vrij, terwijl dat voor ‘gewone’ elektriciteit pas in 2004 het geval zal zijn. Daarnaast kan elektriciteit uit hernieuwbare bronnen profiteren van diverse subsidies en fiscale stimuleringsmaatregelen, (ondermeer in het kader van de Energie-investeringaftrek (EIA), het CO2-reductieplan en de Regulerende Energiebelasting (REB)). Met ingang van 2003 zijn deze stimuleringsmaatregelen overigens aanzienlijk beperkt (zo is het nihiltarief in de REB vervangen door een verlaagd tarief). Per 1 juli 2003 is een nieuw stimuleringssysteem ingevoerd (Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie, MEP), dat voorziet in een (voor maximaal 10 jaar vastliggende) tegemoetkoming aan producenten van duurzame elektriciteit wanneer zij deze invoeden op het Nederlandse net. Deze subsidie wordt verstrekt door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

Het is de bedoeling dat in 2003 of 2004 voor de kust bij Egmond een ‘Near Shore Windpark’ van 100 MW in gebruik zal worden genomen, ter demonstratie van de mogelijkheden van windenergie op zee. Gestreefd wordt naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020. In de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW)[1430], die in 2001 is afgesloten tussen Rijk, IPO en VNG, is afgesproken dat er in 2010 tenminste 1500 MW windvermogen op land moet zijn gerealiseerd (eind 2001 was dit 480 MW).

In april 2002 is in een convenant[1431] afgesproken dat de eigenaren van kolencentrales in Nederland in de periode 2008-2012 ruim 3 miljoen ton CO2–uitstoot zullen reduceren door middel van het mee- of bijstoken van biomassa.

Medio 2002 gebruikten 1 miljoen huishoudens in Nederland ‘groene’ elektriciteit.[1432]

In het jaar 2000 was 1,2% van het Nederlandse energiegebruik en 2,4% van het elektriciteitsverbruik duurzaam. Uit Figuur 14.9.1 blijkt dat in 2000 afval en biomassa (74%) en windenergie (18%) de belangrijkste nationale bronnen van duurzame energie waren.

Figuur 14.9.1 Aandeel van energiebronnen in totale productie van duurzame energie in Nederland (bron: Ministerie van Economische Zaken)



[1425] Hieronder worden op grond van art. 2 verstaan: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas. Elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in ‘hybride’ installaties (die ook met conventionele energiebronnen werken) telt ook mee.

[1426] Hierop vooruitlopend stelt overweging (8) van de considerans van de Richtlijn dat de verbranding van niet-gescheiden stedelijk afval in toekomstige steunregelingen voor hernieuwbare energiebronnen niet mag worden bevorderd indien de hiërarchie van de afvalbehandeling (zie § 5.1) daardoor zou worden ‘ontredderd’.

[1427] COM(96)576.

[1428] TK 2002-2003, 28 782, nrs 1-2.

[1429] TK 2001-2002, 28 241, nr. 2.

[1432] Bron: Memorie van Toelichting Begroting Ministerie van Economische Zaken 2003. TK 2002-2003, 28 600 XIII, nr. 2.

Terug  Volgende
14.8 CO2-uitstoot van personenauto’s  14.10 Energieprestatie van gebouwen
1. Inleiding
2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid
3. De integratie van het milieu in ander EU-beleid
4. Water
5. Afval
6. Lucht
7. Gevaarlijke stoffen
8. Radioactiviteit
9. Natuur en landschap
10. Geluid
11. Milieu-effectrapportage en informatie
12. Financiële en economische instrumenten
13. Internationale verdragen
14. Klimaatverandering
I. Afkortingen
II.Chronologische lijst van Richtlijnen, Beschikkingen en Verordeningen
III. Voorgestelde wetgeving in afwachting van vaststelling
IV. Voorstellen in ontwikkeling
V. Websites m.b.t. Europees milieubeleid
Printversie
   
  klik hier om de lijst te bekijken  
Toevoegingen en wijzigingen
Homepage
Notificatieservice
EU- en Nederlandse Regelgeving
Reactieformulier
Colofon
Realisatie:
Instituut voor Milieuvraagstukken
Ministerie van VROM

Institute for European Environmental Policy (IEEP)
Copyright VROM. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze site mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ministerie van VROM. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten ontleend worden, noch jegens de samenstellers noch jegens derden.
  bovenkant pagina