92/42/EEG (PbEG L167 22.6.92) voorgesteld 29.10.90 –COM(90)368 | Richtlijn betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels |
Rechtsgrondslag | Artikel 100a EG-Verdrag (later art. 95; thans art. 114 VwEU) |
Bindende termijnen Omzetting in nationale regelgeving | 1 januari 1993 |
Inwerkingtreding van de nationale bepalingen | 1 januari 1994 |
2009/125 (PbEU L285, 31.10.2009 voorgesteld 18.7.2008 – COM(2008)399 | Richtlijn betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten |
Rechtsgrondslag | Artikel 95 EG-Verdrag (thans art. 114 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 20 november 2009 |
Omzetting in nationale regelgeving | 20 november 2010 |
Opmerking: Richtlijn 2009/125 betreft een herschikking van, en uitbreiding op, Richtlijn 2005/32.
Zie Tabel 14.7.1 voor een overzicht van de op grond van Richtlijn 2009/125 aangenomen Verordeningen.
Wet milieubeheer | 1979, 442, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 135 |
Wet energiebesparing toestellen | Stb. 1986, 59, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2007, 383 |
Besluit rendementseisen cv-ketels | Stb. 1993, 24, gewijzigd bij Stb. 1995, 673 |
Stcrt. 2009, 10887, zoals gewijzigd bij Stcrt. 2010, 706 |
Richtlijn 2009/125, welke Richtlijn 2005/32 herschikt, geeft regels omtrent het in de handel brengen en in gebruik nemen van energieverbruikende producten teneinde de energie-efficiëntie van deze producten te verhogen (art. 1, lid 2). De Richtlijn beoogt onder meer:
het vrije verkeer van energieverbruikende producten te garanderen;
het algemene milieueffect van deze producten te verbeteren;
bij te dragen aan de zekerheid van de energievoorziening en vermindering van de vraag naar natuurlijke hulpbronnen;
aan de belangen van zowel producenten als consumenten tegemoet te komen.
Richtlijn 92/42 bevat minimumnormen voor de energie-efficiëntie van nieuwe cv-ketels.
Richtlijn 2009/125 bepaalt dat uitvoeringsmaatregelen dienen te worden genomen voor een product dat valt onder de definitie van een energieverbruikend product en daarnaast voldoet aan een drietal criteria: 1) het product moet een significant (hoger dan 200.000) omzet- en handelsvolume hebben; 2) deze producten moeten een significant milieueffect hebben; en 3) er moeten mogelijkheden zijn om de milieueffecten te verbeteren zonder dat daar buitensporige kosten tegenover staan (art. 15).
Lidstaten wordt opgedragen om er voor te zorgen dat producten alleen op de markt worden gebracht indien ze in overeenstemming zijn met de specifieke uitvoeringsmaatregelen en daarnaast zijn voorzien van een CE-markering (art. 3, lid 1). Tevens dienen de lidstaten instanties die verantwoordelijk zijn voor het markttoezicht in te stellen (art. 3, lid 2). De Richtlijn geeft vervolgens de eisen weer met betrekking tot de CE-markering en de verklaring van overeenstemming met de uitvoeringsmaatregel die dient te worden afgegeven (art. 5), en bepaalt dat producten met een CE-markering in beginsel in overeenstemming met de uitvoeringsmaatregel moeten worden geacht (art. 9). Voor het geval een product niet aan de eisen van de uitvoeringsmaatregel voldoet, geeft de Richtlijn de procedure aan die lidstaten dienen te volgen (art. 7). Voor niet alle producten zal een uitvoeringsmaatregel nodig zijn: voor sommige producten is het mogelijk dat een vrijwillige overeenkomst of een andere vorm van zelfregulering door de fabrikanten voldoende wordt geacht (art. 17).
Richtlijn 2005/32 wijzigde drie andere Richtlijnen met bepalingen inzake het energiegebruik van verschillende producten. De wijziging was er op gericht om de Richtlijnen voortaan als uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/32 te laten functioneren:
Richtlijn 92/42, welke minimumnormen bevatte voor de energie-efficiëntie van nieuwe centrale-verwarmingsketels (zie hierna);
Richtlijn 96/57[2190], welke de maximumnormen bevatte voor het energieverbruik van huishoudelijke koelkasten, bewaarruimten voor bevroren levensmiddelen, diepvriezers en combinaties daarvan;
Richtlijn 2000/55[2191], welke maximumnormen vaststelde voor het elektriciteitsverbruik van voorschakelapparaten voor fluorescentielampen.
Inmiddels zijn twee van deze Richtlijnen ingetrokken door op grond van Richtlijn 2009/125 (voorheen 2005/32) aangenomen Verordeningen: Verordening 643/2009 trekt Richtlijn 96/57 in per 30 juni 2010; Verordening 245/2009 trekt Richtlijn 2000/55 in per 13 april 2010.
1275/2008 (Pb EU L 339, 18.12.2008) | Elektriciteitsgebruik van elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand by-stand en de uit-stand |
Inwerkingtreding | 7 januari 2009 |
107/2009 (Pb EU L36, 5.2.2009) | Eenvoudige set-top boxes |
Inwerkingtreding | 25 februari 2009 |
244/2009 (PbEU L76, 24.3.2009) Gewijzigd door Verordening 859/2009 (PbEU L247, 19.9.2009) | Niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik |
Inwerkingtreding 244/2009 | 13 april 2009 |
Inwerkingtreding 859/2009 | 9 oktober 2009 |
245/2009 (PbEU L76, 24.3.2009) Gewijzigd door Verordening 347/2010 (PbEU L104, 24.4.2010) | Fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden |
Inwerkingtreding 245/2009 | 13 april 2009 |
Inwerkingtreding 347/2010 | 25 april 2010 |
278/2009 (PbEU L93, 7.4.2009) | Elektrisch opgenomen vermogen van externe stroomvoorzieningen in niet-belaste toestand en de gemiddelde actieve efficiëntie van externe stroomvoorzieningen |
Inwerkingtreding | 27 april 2009 |
640/2009 (PbEU L191, 23.7.2009) | Elektromotoren |
Inwerkingtreding | 12 augustus 2009 |
641/2009 (PbEU L191, 23.7.2009) | Stand-alone natloper-circulatiepompen en in producten ingebouwde natloper-circulatiepompen |
Inwerkingtreding | 12 augustus 2009 |
642/2009 (PbEU L191, 23.7.2009) | Televisies |
Inwerkingtreding | 12 augustus 2009 |
643/2009 (PbEU L191 23.7.2009) | Koelapparaten voor huishoudelijk gebruik |
Inwerkingtreding | 12 augustus 2009 |
Richtlijn 92/42/EEG is niet van toepassing op doorstroomtoestellen voor de ogenblikkelijke bereiding van warm water, combinatiefornuizen en andere speciale categorieën apparaten (art. 3, lid 1). Voor alle andere centrale-verwarmingsketels met een nominaal vermogen van niet minder dan 4 kW en niet meer dan 400 kW, geeft de Richtlijn een gedetailleerde efficiëntie-regeling, zowel bij nominaal vermogen als bij deellast. In lidstaten waar “back-boilers” en/of zogenaamde “woonruimte-boilers” op grote schaal voorkomen, blijft het echter toegestaan deze ketels in bedrijf te stellen, voor zover het rendement niet meer dan 4% lager is dan de in de Richtlijn vastgestelde eisen voor standaardketels (art. 4, lid 3).
De Richtlijn bevat de eisen met betrekking tot geharmoniseerde productienormen en de weergave van het EG-merkteken op alle ketels die in de handel gebracht worden. Lidstaten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen op hun grondgebied van toestellen en ketels die voldoen aan de rendementseisen, niet verbieden, beperken of belemmeren (art. 4, lid 1). Ook dienen zij de maatregelen te nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de ketels die niet aan de rendementseisen voldoen, niet in bedrijf kunnen worden gesteld (art. 4, lid 2). De lidstaten hebben echter tot december 1997 de mogelijkheid gehad om de nationaal geldende voorschriften te blijven toepassen (art. 9, lid 2). De lidstaten hebben de mogelijkheid om een specifiek systeem van merktekens toe te passen dat gebaseerd is op de rendementseisen uit de Richtlijn (art. 6). De precieze criteria en de eisen die worden gesteld aan de indeling van het etiket voor dit systeem zijn te vinden in de bijlagen bij de Richtlijn.
Aangezien er veel verschillende soorten cv-ketels in Europa op de markt zijn, was de belangrijkste vraag welke applicaties in de Richtlijn moesten worden opgenomen. Gas- en oliegestookte ketels bleken verreweg het meest voorkomend, terwijl het bij andere categorieën ketels, zoals met vaste brandstof gestookte ketels, bovendien technisch ingewikkeld was om het energiegebruik te meten. Besloten werd dus dat de Richtlijn zich moest beperken tot gas- en oliegestookte ketels.
De onderhandelingen voor Richtlijn 2005/32 werden bemoeilijkt omdat de Richtlijn twee doelstellingen had die niet helemaal in overeenstemming waren: het verminderen van het energieverbruik van producten en het harmoniseren van de eisen in de EU. Dit laatste is een doel van de interne markt, waarvoor het eigenlijk niet uitmaakt of de eisen verhoogd of verlaagd worden. Het Parlement riep dan ook op om de Richtlijn op zijn minst gedeeltelijk te baseren op de milieubepaling van het EG-Verdrag, maar deze eis werd verworpen door de Raad.
Nadat Richtlijn 2005/32 in werking was getreden, werd middels een Besluit van de Raad (2006/512[2192]) de mogelijkheden voor de Commissie om bepaalde uitvoeringsmaatregelen te nemen vergroot. Dit gold ook voor de uitvoeringsmaatregelen op grond van Richtlijn 2005/32. Om deze reden heeft de Commissie voorgesteld om nieuwe maatregelen vast te stellen middels een regelgevingsprocedure met toetsing. Dit betekent dat maatregelen sneller en makkelijker de stand van de techniek kunnen weergeven en minder vertraagd raken door politieke processen. Dit leidde tot Richtlijn 2008/28.[2193] De achtergrond voor Richtlijn 2009/125 was enerzijds het opnemen van Richtlijn 2008/28 en anderzijds het uitbreiden van het toepassingsgebied om voor alle energiegerelateerde producten Gemeenschappelijke voorschriften te kunnen vaststellen. Het Parlement pleitte voor een uitbreiding van de Richtlijn naar alle producten waarvoor er behoorlijk potentieel was om de milieu-effecten gedurende hun levenscyclus te verminderen, maar dit werd tegengehouden door de Raad. Het compromis was dat de Commissie in 2012 verder gaat kijken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het toepassingsgebied.[2194]
Het proces om voor een eerste groep van 19 producten eisen te stellen op grond van Richtlijn 2005/32 startte in 2007. Deze groep producten was in door het Europees Programma inzake Klimaatverandering aangewezen als een groep waarvoor het potentieel om kosteneffectief broeikasgassen te verminderen hoog was. Voor verschillende van deze producten zijn in de loop van 2008 en 2009 Verordeningen aangenomen (zie Tabel 14.7.1).
Het Besluit Rendementseisen cv-ketels[2195], dat strekt tot uitvoering van de Richtlijn, is gebaseerd op artt. 2, 6, en 21 van de Wet energiebesparing toestellen (WET)[2196]. Het Besluit schrijft voor nieuwe olie- en gasgestookte cv-ketels met een nominaal vermogen van 4 kW tot 400 kW minimum rendementseisen voor, alsmede een labellingsysteem waarmee het rendement aangeduid kan worden. Voor gasgestookte cv-ketels sluit het Besluit aan bij afspraken die al geruime tijd bestonden tussen gasbedrijven, installateurs en handelaren wat betreft het energiegebruik van deze ketels. De kern van de afspraken werd gevormd door de aansluitvoorwaarden van de gasbedrijven, volgens welke ketels alleen mochten worden aangesloten op het gasnet als ze aan bepaalde rendementseisen voldoen. Ingevolge deze eisen dienen cv-ketels te voldoen aan een keurmerk, waaruit blijkt dat het desbetreffende type door GASTEC NV (het centrale technische orgaan van de gasbedrijven) is goedgekeurd. De modellen die voldoen aan de regels van de Richtlijn, en dientengevolge zijn voorzien van een CE-merk, zullen automatisch worden goedgekeurd, aangezien de eisen van de Richtlijn iets hoger liggen dan de voorgaande afspraken.
De Wet milieubeheer (Wm) is in beginsel van toepassing op alle energieverbruikende producten. De Nederlandse overheid heeft er in 2005 voor gekozen om Richtlijn 2005/32 te implementeren via de Wm gegeven diens integrale karakter.[2197] Door middel van Implementatiewet EG-Richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten, houdende de toevoeging van Titel 9.4 van de Wm, is Richtlijn 2005/32/EG oorspronkelijk omgezet in Nederlandse regelgeving. De Wm bevat onder meer een dynamische verwijzing naar enkele begrippen in de Richtlijn (art. 9.4.1, lid 2). Tevens wordt de mogelijkheid geboden om AMvB’s op te stellen met betrekking tot het ecologisch ontwerp van energieverbruikende producten en informatieverschaffing daarover (art. 9.4.4, lid 1). Producten die niet voldoen aan de eisen van deze AMvB’s mogen niet in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen (art. 9.4.4, lid 2). De wet neemt tevens enkele verplichtingen voor de fabrikant over uit de Richtlijn, waaronder het verkrijgen van de verklaring van overeenstemming en de CE-markering (art. 9.4.5).
De WET is van toepassing voor energieverbruikende producten die niet onder de Wm vallen. Dat betreft met name producten die deel uitmaken van vervoersmiddelen (art. 9.4.3; zie § ???). Om mogelijke overlap te voorkomen bevat de Wet energiebesparing toestellen een coördinatiebepaling waarin voorschriften van de wet buiten toepassing worden verklaard indien Titel 9.4 Wm van toepassing is.
De enige regelgeving die nodig is op basis van de Verordeningen/uitvoeringsmaatregelen op basis van de Richtlijn is de Regeling aanwijzing ecodesign-producten. De Verordeningen werken immers rechtstreeks, maar de Wm bepaalt wel dat de producten dienen te worden aangewezen (art. 9.4.4 Wm). Overigens deze constructie worden gewijzigd, waardoor geen aparte regelingen meer noodzakelijk zullen zijn.[2198]
Op 10 november 2010 zijn twee nieuwe uitvoeringsmaatregelen op grond van de richtlijn eco-design gepubliceerd, namelijk verordeningen (EU) nr. 1015/2010[2199] en 1016/2010[2200]. In navolging van eerdere productgroepen stellen deze verordeningen eisen aan het energieverbruik van respectievelijk huishoudelijke wasmachines en afwasmachines. Was-droogcombinaties zijn echter van verordening (EU) nr. 1015/2010 uitgesloten. De verordeningen treden in werking op 1 december 2011 en zullen in 2014 worden herzien. In bijlage I van beide verordeningen staan de data waarop de apparaten aan de gestelde eisen moeten voldoen.
In de Nederlandse praktijk wordt inmiddels via Gaskeur hoog rendement labels[2201] voor verwarming en warm water (de zogeheten HR respectievelijk HRww labels) bereikt dat ketels en toestellen aan striktere eisen voldoen dan volgens de Europese regels nodig is. Het Gaskeur-label is een kwaliteitsmerk van de Stichting Energie Prestatie Keur.
In bijlage I van verordeningen (EU) nr. 1015/2010[2202] en 1016/2010[2203] staan de nieuwe eisen waaraan huishoudelijke wasmachines en afwasmachines moeten voldoen. Om te controleren of aan deze eisen wordt voldaan, testen de relevante de autoriteiten van de lidstaten één huishoudelijke wasmachine van een fabrikant. Wanneer de waarden van de gemeten parameters niet overeenkomen met de door de fabrikant opgegeven waarden en de tolerantiegrens wordt overschreden, moeten er metingen worden uitgevoerd op nog drie huishoudelijke wasmachines. Het gemiddelde van de gemeten waarden van deze drie huishoudelijke wasmachines ook boven tolerantiegrens liggen, wordt het model in beginsel afgekeurd voor de consumentenmarkt.
[2190] Richtlijn 96/57 (PbEG L236, 18.9.1996).
[2191] Richtlijn 2000/55 (PbEG L279, 1.11.2000).
[2192] PbEU L200, 22.7.2006.
[2193] PbEU L81 (20.3.2008).
[2194] ENDS Europe Daily, 27.3.2009.
[2195] Stb. 1993, 24, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1995, 673.
[2196] Stb. 1986, 59, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2007, 383.
[2197] TK 2006-2007, 30 958, nr. 3, p. 10.
[2198] Stcrt. 2010, 706, p. 4.
[2199] PB L 293, 11 november 2010, blz. 21
[2200] PB L 293, 11 november 2010, blz. 31
[2201] Zie http://www.gaskeur.nl.
[2202] PB L 293, 11 november 2010, blz. 21
[2203] PB L 293, 11 november 2010, blz. 31