Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

14.11 Biobrandstoffen in het vervoer

14.11.1 Overzicht van EU-regelgeving

Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L123, 17.5.2003) zoals gewijzigd per 1.4.2010 (en in te trekken door Richtlijn 2009/28/EG m.i.v. 1.1.2012)

Richtlijn ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer

Rechtsgrondslag

Art. 175 lid 1 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Omzetting in nationale regelgeving

31 december 2004

Realisatie streefcijfers eerste fase

31 december 2005

Realisatie streefcijfers tweede fase

31 december 2010

Verslag lidstaten aan Commissie

jaarlijks vóór 1 juli

Evaluatieverslag van Commissie

31 december 2006 en vervolgens om de twee jaar

Richtlijn 2009/28/EG (PbEU L140, 5.6.2009)

Rechtsgrondslag

Bindende termijnen

Commissie model voor nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen (Commissie Beschikking 2009/548/EG, Pb L182 van 15.7.2009)

Opstellen van richtsnoeren ter berekening van koolstofvoorraden

Lidstaten melden hun nationale actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen bij de Commissie

Omzetting in nationale regelgeving

Verslag Commissie aan Europees Parlement en Raad inzake effect van indirecte veranderingen in landgebruik op de emissie van broeikasgassen

Voortgangsrapportage van de lidstaten aan de Commissie m.b.t. bevorderen en gebruik van energie uit hernieuwde bronnen

Verslag Commissie aan het Parlement betreffende doeltreffendheid en haalbaarheid van de gestelde doelen

Opstellen van richtsnoeren betreffende waterpomptechnologieën en - toepassingen

Rapportage aan EP betreffende potentieel van hernieuwbare bronnen in elke vervoersector

Richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van

Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG

Art. 175 lid 1 en art. 95 EG-Verdrag (thans art. 192 en art. 114 VwEU)

30 juni 2009

31 december 2009

30 juni 2010

5 december 2010

31 december 2010

31 december 2011 (vervolgens iedere 2 jaar)

31 december 2012

1 januari 2013

1 juni 2015

14.11.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Wet milieubeheer

Besluit van 16 december 2005 tot wijziging van het Besluit tankstations milieubeheer (implementatie Richtlijn 2003/30/EG)

Stb. 2005, 706

Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer

Stcrt. 2006, 243

Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007

Stb. 2006, 542

Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer

Stb. 2007, 415

Besluit van 8 oktober 2009 tot wijziging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 (zwaardere weging betere biobrandstoffen)

Stb. 2009, 416

Besluit van 14 december 2009 tot wijziging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 (aanpassingen ter afstemming met richtlijn 2003/30/EG)

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 februari 2010, nr. BJZ2010003044, tot wijziging van de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer (aanvulling bijlagen voor overige geleverde biobrandstoffen)

Stb. 2009, 606

Stcrt. 2010, 1707

14.11.3 Doelstelling van de Richtlijnen

Richtlijn 2003/30/EG heeft tot doel in elke lidstaat het gebruik van biobrandstoffen (vloeibare of gasvormige brandstoffen die gewonnen zijn uit biomassa) of andere brandstoffen afkomstig van hernieuwbare energiebronnen als vervanging van dieselolie of benzine te bevorderen.[2281]. In 2010 zou 5,75% van de brandstoffen in het vervoer afkomstig moeten zijn uit hernieuwbare bronnen. Het betrof een indicatief streefcijfer dat niet juridisch afdwingbaar was. Daarmee moest een bijdrage worden geleverd aan de doelstellingen op het gebied van klimaatverandering, milieuvriendelijke voorzieningszekerheid en bevordering van hernieuwbare energiebronnen.

Richtlijn 2009/28/EG wijzigt Richtlijn 2003/30 per 1 april 2010 en stelt tot doel een algemeen streefcijfer van 20% voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik, verdeeld over individuele doelstellingen per lidstaat. Daarnaast dient elke lidstaat verplicht minstens 10% voor het aandeel van biobrandstoffen in brandstoffen voor vervoer te verwezenlijken in 2020.

14.11.4 Samenvatting van de Richtlijnen

Middels Richtlijn 2003/30/EG moesten de lidstaten nationale indicatieve streefcijfers vaststellen voor het aandeel biobrandstoffen[2282] dat op hun markten werd aangeboden en zorgen dat deze streefcijfers werden gerealiseerd (art. 3, lid 1). Als referentiewaarde voor deze streefcijfers gaf de Richtlijn de volgende fasering (berekend op basis van de energie-inhoud van de totale aangeboden hoeveelheid benzine en dieselolie):

  • 31 december 2005: 2%;

  • 31 december 2010: 5,75%.

Biobrandstoffen konden ongemengd, gemengd met derivaten van minerale oliën, of in de vorm van afgeleide vloeistoffen zoals ethyl-tertiair-butylether (ETBE) worden aangeboden (art. 3, lid 2). In het geval van ETBE werd 47 vol.% als biobrandstof aangemerkt (art. 2, lid 2).

Zo nodig moesten de lidstaten maatregelen treffen om te zorgen dat voertuigen die diesel met meer dan 5% biobrandstoffen gebruikten aan de geldende emissienormen voldoen (art. 3, lid 3).

De lidstaten moesten bij hun maatregelen rekening houden met de volledige klimaat- en milieubalans van de verschillende soorten biobrandstoffen en konden prioriteit geven aan biobrandstoffen met een zeer goede, kosteneffectieve milieubalans (art. 3, lid 4).

Het publiek moest van de beschikbaarheid van biobrandstoffen op de hoogte worden gebracht. Benzine en diesel waarin meer dan 5% biobrandstoffen werd bijgemengd moest op de verkooppunten van een apart kenmerk zijn voorzien (art. 3, lid 5).

Jaarlijks vóór 1 juli moesten de lidstaten verslag uitbrengen aan de Commissie over de maatregelen die genomen werden om het gebruik van biobrandstoffen te bevorderen en de resultaten die daarmee geboekt zijn. In het eerste verslag moesten ook de streefcijfers voor de eerste fase worden vermeld en in het verslag over 2006 die voor de tweede fase. Afwijking van de genoemde referentiewaarden was op grond van nationale omstandigheden onder bepaalde voorwaarden mogelijk (art. 4, lid 1).

Uiterlijk op 31 december 2006, en vervolgens om de twee jaar, moest de Commissie een evaluatieverslag voor het Europees Parlement en de Raad opstellen. Art. 4, lid 2 gaf een opsomming van elementen die dit verslag tenminste diende te bevatten. Op grond van het verslag kon de Commissie aanpassing van de streefcijfers voorstellen.

Via een Comitéprocedure kon de in art. 2, lid 2 opgenomen lijst van biobrandstoffen worden aangepast (art. 5 en 6).

Richtlijn 2009/28/EG wijzigde Richtlijn 2003/30/EG per 1 april 2010 en vervangt deze geheel per 31 december 2011. Op dezelfde datum wordt ook Richtlijn2001/77/EG (betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt) vervangen, waarmee dan één regeling wordt gecreëerd ten aanzien van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Zoals genoemd bevat de nieuwe Richtlijn een EU-streefcijfer van 20% voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik en minstens 10% voor het aandeel van biobrandstoffen in brandstoffen voor vervoer, te verwezenlijken in elke lidstaat in 2020.

De lidstaten moesten uiterlijk op 30 juni 2010 hun nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen aanmelden bij de Commissie (art. 4 lid 2 Richtlijn 2009/28). De Commissie dient deze actieplannen openbaar te maken op een online transparantieplatform (art. 24 lid 2 sub a). Elke lidstaat dient uiterlijk op 31 december 2011, en daarna om de twee jaar, bij de Commissie een verslag in over de voortgang die geboekt is bij het bevorderen en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Het zesde verslag, dat uiterlijk op 31 december 2021 moet worden ingediend, is het laatste verslag dat wordt verlangd (art. 22 lid 1). Ook deze verslagen moeten online beschikbaar worden gemaakt (art. 24 lid 2 sub f).

In Bijlage I van Richtlijn 2009/28 is het nationale streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2020 per lidstaat opgenomen. Nederland dient in 2020 uit te komen op 14% energie uit hernieuwbare bronnen. In 2005 was dit aandeel 2,4%.Bijlage II bevat de normaliseringsregel voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met waterkracht en windenergie.

Lidstaten kunnen niet weigeren biobrandstoffen die aan de gestelde vereisten voldoen mee te nemen in hun gestelde nationale doelen. Bij het instellen van subsidieregelingen en het promoten van onderzoek mogen de lidstaten echter wel hogere doelen stellen dan de Richtlijn vereist.

De duurzaamheidscriteria, die dus eigenlijk als minimum functioneren, houden onder meer het volgende in:

  • Broeikasgasreductie – minimaal 35 % (toe te passen op operationele installaties vóór januari 2008 vanaf 2013). In 2017 moet dit 50 % bedragen. Ná 2017 moet 70 % gehaald worden (toe te passen op installaties die biobrandstoffen produceren vanaf 2017).

  • Biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden niet geproduceerd op gebieden met een grote biodiversiteit, te weten:

    • oerbos en andere beboste gronden, d.w.z. bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar geen duidelijk zichtbare tekenen van menselijke activiteiten zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn verstoord;

    • gebieden die bij wet of door de relevante bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden zijn aangewezen; of

    • waar voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten die bij internationale overeenkomst zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of van de International Union for the Conservation of Nature, zijn aangewezen, mits deze gebieden zijn erkend overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 4, tweede alinea.

Verder mogen biobrandstoffen en vloeibare biomassa niet geproduceerd worden in gebieden met een hoge koolstofvoorraad, zoals:

  • waterrijke gebieden, d.w.z. land dat permanent of tijdens een groot gedeelte van het jaar onder water staat of verzadigd is met water;

  • permanent beboste gebieden, d.w.z. gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken;

  • gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken, tenzij aangetoond wordt dat de voor en na omschakeling aanwezige koolstofvoorraden van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing van de in bijlage V, deel C, vastgestelde methode aan de voorwaarden van artikel 17 lid 2 zou zijn voldaan.

14.11.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

In het Witboek over het Europese vervoersbeleid[2283] van september 2001 werden twee maatregelen voorgesteld om het gebruik van vloeibare biobrandstoffen te bevorderen. Deze maatregelen konden echter niet worden teruggevonden in het Actieprogramma, dat als bijlage bij het Witboek zat. Er was ook weinig aandacht besteed aan biobrandstoffen in de bijdrage van DG Vervoer aan het Europees Programma inzake Klimaatverandering eerder dat jaar. De publicatie van de Mededeling van de Commissie over alternatieve brandstoffen voor het wegvervoer en een pakket maatregelen ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen[2284] en de twee voorstellen die daarin vervat waren kwamen dan ook als een verrassing voor de meeste buitenstaanders. Het scheen dat er slechts een kleine groep van geïnteresseerden druk bezig was geweest met het ontwikkelen van de voorstellen. De reacties van de NGO’s waren voorzichtig of afkeurend, omdat volgens hen de milieuvoordelen van biobrandstoffen nog niet bewezen waren.

Op grond van het eerste voorstel uit de Mededeling zouden lidstaten verplichte streefcijfers moeten bepalen voor zowel de marktpenetratie van biobrandstoffen, alsook de hoeveelheid biobrandstoffen die bijgemengd zou moeten worden in benzine of diesel. Hoewel het Parlement de Commissie geheel steunde met betrekking tot het stellen van verplichte streefcijfers voor de marktpenetratie van biobrandstoffen, gaf de Raad aan dat dit niet acceptabel was. In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dat al voor de eerste lezing van het Parlement was uitgebracht, werden slechts puur indicatieve streefcijfers genoemd. Zowel de Raad als het Parlement waren ook tegen de tweede reeks streefcijfers voor het bijmengen van biobrandstoffen, omdat betwijfeld werd of dit wel praktisch haalbaar was. Deze streefcijfers werden daarom niet meer opgenomen in de uiteindelijke tekst, zodat maar één soort streefcijfers overbleef.

Beide kanten wilden niet van wijken weten, en een pijnlijke conciliatieprocedure leek onvermijdelijk. De Raad dreigde echter de voortgang met betrekking tot het tweede richtlijnvoorstel te vertragen als het Parlement niet zou toegeven. Dit voorstel zou lidstaten de mogelijkheid geven om een verlaagd accijnstarief toe te passen op bepaalde minerale oliën die biobrandstoffen bevatten en op biobrandstoffen, zonder dat een afwijking van de minerale oliën Richtlijn (92/82/EG) nodig zou zijn. Aangezien deze maatregel meer directe voordelen met zich mee bracht, accepteerde het Parlement de vrijwillige streefcijfers. Ironisch was dat het tweede voorstel niet lang daarna van de agenda van de ECOFIN-Raad verdween en dat deze dus niet zo snel aangenomen werd als de Raad verwacht had. Het eerste voorstel met de streefcijfers werd dan ook als eerste aangenomen in mei 2003.

Hoewel het Parlement en de Commissie dus niet hun zin kregen met betrekking tot de streefcijfers, waren andere aspecten van de Richtlijn over het toezicht en de voortgangsevaluatie aanzienlijk sterker in de uiteindelijke versie van de Richtlijn. Dit was belangrijk, omdat het bepalen van de mate van broeikasgasreducties die bereikt kan worden met behulp van biobrandstoffen moeilijke vraagstukken met zich mee brengt en niet oncontroversieel is.

Als reactie op een oproep van de Europese Raad in maart 2006 presenteerde de Commissie op 10 januari 2007 haar Strategische Europese Energieherziening. In de Routekaart voor hernieuwbare energie[2285], die deel uitmaakt van deze energieherziening, wordt een langetermijnvisie voor hernieuwbare energie in de EU uiteengezet. Daarin werd voorgesteld om op EU-niveau een bindend streefcijfer van 20% vast te stellen voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik in de EU in 2020, en een bindend streefcijfer van 10% voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale benzine- en dieselverbruik in het vervoer. De Europese Raad van maart 2007 onderschreef deze doelstellingen, maar gaf wel aan dat het bindende karakter van het streefcijfer voor biobrandstoffen alleen opportuun is als de productie duurzaam is en biobrandstoffen van de tweede generatie[2286] commercieel beschikbaar worden.

Op 23 januari 2008 werd het voorstel tot bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG aangenomen door de Commissie. De Europese Raad van juni 2008 verwees opnieuw naar de benodigdheid van duurzaamheidscriteria en de ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede generatie, en onderstreepte dat de mogelijke effecten van biobrandstofproductie op landbouwproducten die voor de voeding bestemd zijn, moeten worden beoordeeld en dat er zo nodig maatregelen moeten worden genomen om tekortkomingen aan te pakken. De Raad verklaarde tevens dat ook de ecologische en de sociale gevolgen van de productie en het verbruik van biobrandstoffen nader moeten worden beoordeeld. Na beraadslaging en toezegging van amendementen van het Europees Parlement nam de Raad het voorstel over op 6 april 2009. Richtlijn 2009/28/EG trad op 25 juni 2009 in werking.

14.11.6 De omzetting in nationale regelgeving

De implementatiedatum voor Richtlijn 2003/30 was 31 december 2004, maar op die datum was de Nederlandse implementatiewetgeving nog slechts in voorbereiding. Aan de Europese Commissie werd gemeld dat pas per 1 januari 2006 zou worden aangevangen met het stimuleren van biobrandstoffen.[2287] In de Beleidsbrief biobrandstoffen van 15 maart 2006 werd uitgelegd dat er in Nederland per 1 januari 2007 een verplichting in zou moeten gaan, vanwege de beëindiging van fiscale stimulering van bijgemengde biobrandstoffen per 31 december 2006. De concept regelgeving voor deze verplichtstelling zou in maart 2006 afgerond moeten worden. Daarom werd ervoor gekozen de regelgeving in 2 fasen op te leveren:

1. Fase 1: Implementatie minimale vereisten EG-richtlijn

De eerste fase betreft een rechttoe rechtaan verplichtstelling in een AMvB op basis van een strikte implementatie van de richtlijn biobrandstoffen. Dit houdt in dat de AMvB nog niet ingaat op het Kabinetsvoornemen te gaan sturen op de verdere ontwikkeling van 2e generatie biobrandstoffen. Wel wordt de mogelijkheid gecreëerd om in een later stadium duurzaamheidseisen te stellen. Voor de eerste fase zal het aantonen van het voldoen aan de verplichting gebaseerd worden op bestaande administratie vereisten.

2. Fase 2: Invulling innovatie, duurzaamheid en certificering

In de tweede fase regelgeving die circa 6 tot 12 maanden na de eerste fase moet worden opgeleverd zou het Nederlandse beleid ten aanzien van de sturing op innovatie, duurzaamheid en certificering worden ingevuld, waarbij zo goed mogelijk wordt aangesloten bij de internationale ontwikkelingen.

Het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 trad op 1 januari 2007 in werking. Hierin werd vastgelegd dat iedere vergunninghouder per kalenderjaar ten minste 2% van de door hem uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie aanlevert als biobrandstof, waarbij zowel bij de ongelode lichte olie als bij de gasolie ten minste 2% bestaat uit biobrandstoffen die aan nader uiteengezette eisen inzake duurzaamheid voldoen. Deze percentages stijgen als volgt:

  • 1 januari 2008: 3,25 resp. 2,5%

  • 1 januari 2009: 4,5 resp. 3%

  • 1 januari 2010: 5,75 resp. 3,5%

Naar aanleiding van de discussies over negatieve aspecten van hoge percentages biobrandstoffen en met name het rapport van de Commissie Callagher werden bij het Besluit van 6 mei 2009 tot wijziging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 (verlaging percentages toe te voegen biobrandstoffen) de percentages voor 2009 en 2010 teruggebracht:

  • 1 januari 2009: 3% resp. 3%

  • 1 januari 2010: 4% resp. 3,5%

Hiermee werd beoogd een andere en, op korte termijn, langzamere groeicurve van het verplichte gebruik van biobrandstoffen in het wegverkeer in te zetten, op weg naar de in het richtlijnvoorstel COM(2008)19 (waaruit Richtlijn 2009/28 voortvloeide) opgenomen 10% hernieuwbare energie voor 2020. Hierdoor vermindert de bijdrage van Nederland aan de druk op de biobrandstoffenmarkt en is er meer tijd om op internationaal niveau een monitoringssysteem op te zetten. Hierdoor zou het risico van onduurzame ontwikkelingen worden verminderd. Aangezien richtlijn 2003/30/EG geen dwingende, maar indicatieve percentages bevat werd aangenomen dat het onderhavige besluit in lijn is met richtlijn 2003/30/EG. Na vaststelling van exacte biobrandstofdoelstellingen door de EU tot 2020 zal de Nederlandse regelgeving opnieuw worden aangepast en aangevuld om de dan tot stand gekomen Europese richtlijn correct te implementeren.

Via het Besluit van 14 december 2009 tot wijziging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 werd het besluit meer in overeenstemming gebracht met Richtlijn 2003/30. Die richtlijn bepaalt dat ten minste de aldaar genoemde biobrandstoffen kunnen worden ingezet ter vervanging van benzine en dieselolie. In het oorspronkelijke Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 waren echter in art. 2 lid 3 en 4 limitatieve opsommingen opgenomen van de ter vervanging van benzine en dieselolie in te zetten biobrandstoffen. Met deze wijziging werd art. 2 lid 6 toegevoegd, waardoor aan het resterende deel van die verplichtingen tevens kan worden voldaan met andere biobrandstoffen dan die opgenomen in de limitatieve opsommingen uit lid 3 en 4, mits zij voldoen aan de definitie van biobrandstoffen. Hierbij kan gedacht worden aan bio-LNG en – voor zover toepasbaar als transportbrandstof – pure (onveresterde) dierlijke vetten. Richtlijn 2009/28 somt niet meer (mogelijke) soorten biobrandstoffen op, en wordt door het wijzigingsbesluit van 14.12.2009 niet geïmplementeerd. Dat zal met een (of meer) andere wijziging(en) van het besluit gebeuren. Ten behoeve van de implementatie van Richtlijn 2009/28 zullen ook de opsommingen uit art. 2 van het besluit ingrijpend worden gewijzigd, aangezien op grond van deze richtlijn alle biobrandstoffen die aan de eisen van die richtlijn voldoen, mogen meetellen bij het behalen van het bijmengpercentage.

De Regeling administratie biobrandstoffen stelt nadere eisen aan de administratie met betrekking tot de verkoop van biotransportbrandstoffen zoals bedoeld in het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007. Deze Regeling werd gewijzigd in verband met het bovenbesproken besluit van 14 december 2009 tot wijziging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 (aanpassingen ter afstemming met richtlijn 2003/30/EG). Daarmee werd de mogelijkheid geopend om behalve de in art. 2 lid 3 en 4 Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 limitatief opgesomde biobrandstoffen, die specifiek dienen ter vervanging van benzine of diesel, ook andere biobrandstoffen in te zetten. Met deze brandstoffen kan desgewenst aan het resterende deel van de verplichting in artikel 2 van het besluit worden voldaan. Om een en ander ook zichtbaar te maken in de biobrandstoffenbalans en de rapportage aan het Ministerie van VROM is hieraan de categorie ‘Overige geleverde biobrandstoffen’ toegevoegd.

Het van kracht worden van Richtlijn 2009/28 betekende dat er nieuwe implementatiemaatregelen zullen moeten worden genomen, uiterlijk op 5 december 2010. Art. 21 lid 2 van de Richtlijn bepaalt dat biobrandstoffen die worden gemaakt uit bepaalde grondstofcategorieën dubbel tellen bij de invulling van de kwantitatieve verplichting. Daarbij gaat het om vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen die gemaakt zijn uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal en ligno-cellulosisch materiaal – tweede generatie biobrandstoffen met andere woorden. In Nederland verzocht de Tweede Kamer (motie-Spies c.s.)[2288] in 2007 om zo spoedig mogelijk bepaalde biobrandstoffen zwaarder te laten tellen. De richtlijn laat hiertoe de ruimte, aangezien de bepalingen ter implementatie daarvan uiterlijk 5 december 2010 in werking moeten treden. Gelet op de door de Tweede Kamer gewenste spoed is eerst alleen art. 21 lid 2 geïmplementeerd via de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen. Overeenkomstig die bepaling wordt in het gewijzigde Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 de wegingsfactor op twee gesteld. In die regeling wordt ook nader geregeld welke biobrandstoffen dubbel mogen tellen bij het behalen van het bijmengingspercentage en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren.

14.11.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Uit een in 2003 verschenen studie bleek dat er naar verwachting voldoende biomassa beschikbaar is in Nederland om de streefwaarde van de Richtlijn voor 2005 te behalen, maar dat dit niet zo was voor de streefwaarde in 2010. Er zou echter voldoende potentieel in andere Europese landen of wereldwijd zijn om dit aan te vullen.[2289]

Bij de introductie van de biobrandstoffen wilde het kabinet een aantal uitgangspunten hanteren: (1) een forse CO2-reductie bij de sector verkeer; (2) garanties voor de markt dat aan het gekozen beleid vastgehouden wordt; (3) productie van biobrandstoffen onder randvoorwaarden (geen schade aan biodiversiteit; geen gevolgen voor voedselproductie; geen technische problemen voor motoren van voertuigen); (4) de invoering van biobrandstoffen moest zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met andere EU-lidstaten; en (5) bij de planning moest rekening gehouden worden met de benodigde tijd voor het realiseren van productiecapaciteit voor biobrandstoffen.[2290] Deze uitgangspunten zijn voor een belangrijk deel uiteindelijk ook in de EU regels terecht gekomen.

Op 18 juni 2004 heeft staatssecretaris Van Geel de Beleidsnota Verkeersemissies aan de Tweede Kamer aangeboden.[2291] Hierin is uiteengezet hoe en wanneer de Nederlandse regering biobrandstoffen wil introduceren. Aangegeven werd dat hiermee vanaf 2006 een begin kon worden gemaakt, aangezien de kosten op dat moment nog als (te) hoog werden beschouwd. Door gebruik te maken van zogenaamde tweede-generatie-biobrandstoffen zouden naar verwachting de kosten dalen en het reductierendement toenemen.[2292] De uitwerking van het biobrandstoffenbeleid zou onder mee worden vormgegeven door het invoeren van stimuleringsmaatregelen. Daarvoor diende gestart te worden met het benodigde onderzoek en de vereiste voorbereiding.

Stimulering vanaf 2005 werd niet haalbaar geacht, omdat de regelgeving nog onvoldoende was uitgewerkt en omdat het bedrijfsleven er nog niet klaar voor was. In 2007 zou de werking van het stimuleringsbeleid worden geëvalueerd, aan de hand waarvan het kabinet zou bepalen of het indicatieve streefcijfer van 5,75% marktaandeel in 2010 haalbaar is voor Nederland. Zoals hierboven werd uitgelegd is dat percentage uiteindelijk om andere redenen verlaagd naar 4% marktaandeel in 2010. Het plan is om dit percentage stapsgewijs als volgt te verhogen:

  • 1 januari 2010: 4%

  • 1 januari 2011: 4,25%

  • 1 januari 2012: 4,5%

Door deze stapsgewijze benadering voort te zetten wil Nederland in 2010 op het door de richtlijn voorgeschreven percentage van 10% uitkomen. In de loop van 2011 wordt nader overlegd over de wijze waarop dit zal worden gestimuleerd. Maatregelen die al werden genomen omvatten onder meer de verlaging per 1 april 2010 van de accijns op duurzaam geproduceerde biobrandstof E-85 met 27%. E-85 heeft namelijk een lagere energie-inhoud van ten opzichte van benzine, waardoor zonder deze correctie per gereden kilometer meer accijns afgedragen zou moeten worden. Daarnaast kan gewezen worden op het programma Tankstations Alternatieve Brandstoffen (TAB), waarin het rijk en de andere overheden subsidies verlenen om tot uitbreiding van de tankinfrastructuur te komen.

Ingevolge art. 4, lid 1 en 2 van Richtlijn 2008/9 moesten de EU lidstaten een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vaststellen en uiterlijk op 30 juni 2010 aanmelden bij de Europese Commssie. Het Nederlandse Nationaal actieplan beschrijft hoe ons land beoogt de geldende streefcijfers in 2020 te bereiken.[2293] Er wordt van uit gegaan dat de streefcijfers gehaald gaat worden.

Om – vooruitlopend op de wettelijke implementatieverplichtingen voortvloeiend uit richtlijn 2009/28 – duidelijk te maken hoeveel biobrandstoffen in Nederland worden gebruikt en hoe, waar en waarmee deze biobrandstoffen precies zijn gemaakt heeft de Nederlandse Rijksoverheid afspraken gemaakt met de industrie. Deze afspraken zijn op 25 mei 2010 neergelegd in de intentieverklaring rapportage Biobrandstoffen 2010.[2294] De ondertekenaars (zoals raffinaderijen) geven openheid over welke grondstoffen worden gebruikt voor de biobrandstoffen die zij inkopen en of deze duurzaam zijn.De eerste vrijwillige rapportage ingevolge deze intentieverklaring besloeg de periode januari-mei 2010 en werd op 27 augustus 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden.[2295] In de rapportage is naast informatie over het type biobrandstof, de grondstof en de herkomst van deze grondstof te lezen dat van 71% van de gerapporteerde biobrandstoffen ook de duurzaamheid is gerapporteerd. Of al de door bedrijven gebruikte systemen aan de duurzaamheidseisen van Richtlijn 2009/28 en de richtlijn brandstofkwaliteit (2009/30/EG) voldoen viel niet met zekerheid vast te stellen. Op 25 november 2010 werd de Tweede Kamer geïnformeerd over de tweede vrijwillige rapportage.[2296] Deze besloeg de periode januari-september 2010: de geaggregeerde informatie voor de eerste (1 januari tot en met 31 mei 2010) en tweede (1 juni tot en met 30 september 2010) rapportageperiode gezamenlijk. Bedrijven bleken voor 62% van de biobrandstoffen gebruik te maken van manieren om de duurzaamheid ervan aan te tonen. In de eerste rapportage was dit gedaan voor 71% van de gerapporteerde hoeveelheden biobrandstof, maar de resultaten zijn niet direct te vergelijken omdat voor de tweede rapportageperiode gevraagd is om specifiekere informatie. Onafhankelijke verificatie kwam nog niet veel voor.

Daarnaast werd in 2010 de “Rapportage 2009 ingevolge Richtlijn 2003/30/EG” opgesteld en aan de Commissie en de Tweede Kamer gezonden. Uit laatstgenoemde rapportage blijkt dat het aandeel biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen zoals geformuleerd in art. 3 Richtlijn 2003/30 in Nederland in 2009 op 3,75% lag.

Vanaf 2011 dienen biobrandstoffen om te worden meegeteld voor het behalen van de Europese streefcijfers te voldoen aan duurzaamheidseisen. In januari 2011 is onder leiding van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) het NTA 8080 certificaat voor biomassa ontwikkeld dat wordt uitgegeven door certificatie-instelling Quality Services Certification. Met dit certificaat kunnen bedrijven de kwaliteit en duurzaamheid aantonen van de biomassa die ze produceren, verwerken of inzetten In februari 2011 zijn de eerste NTA 8080 certificaten aan bedrijven in Nederland uitgereikt.[2297]

14.11.8 Verdere ontwikkelingen

In december 2005 lanceerde de Commissie het nieuwe Biomassa en biobrandstoffen Actie Plan (COM(2005)628) met als doel het gebruik van biomassa en biobrandstoffen verder te stimuleren. Doelstelling is het huidige gebruik te verdubbelen in de ‘komende jaren’ en verdere stappen te ondernemen in 2020. Het plan behandelt ook biobrandstoffen (gas en vloeibaar) voor de transportsector. Hier werd meer dan voorheen de nadruk gelegd op 2e generatie-biobrandstoffen (bijvoorbeeld hout). Wel werd geconcludeerd dat deze niet voor 2010 commercieel verkrijgbaar zullen zijn. Hier zal het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid een belangrijke rol in gaan vervullen.

Ook lanceerde de Commissie een nieuwe biobrandstoffen-strategie (COM(2006)34). Er werd besloten dat meer studie gedaan moet worden naar de effectiviteit van de aansporing tot een goed broeikasgasresultaat. Ook assistentie aan ontwikkelingslanden; een douaneregeling voor geïmporteerde biobrandstoffen; maatregelen om de impact op de voedselprijzen te monitoren en een herziening van de ‘energiegewas-toeslag’ zijn onderdeel van de nieuwe strategie.

In de loop van 2010 heeft de Commissie de kwestie van indirecte veranderingen van landgebruik ofwel ‘Indirect Land Use Change’ (ILUC) nader bezien. Dit is voor het milieu en het klimaat de grootste directe dreiging met betrekking tot de toenemende vraag naar biobrandstoffen. De duurzaamheidscriteria die worden behandeld in de Richtlijn hebben alleen betrekking op directe verandering in landgebruik, zoals het verbieden van de productie van grondstoffen voor biobrandstoffen in gebieden met een hoge biodiversiteit. Het risico bestaat echter dat deze grondstoffen de bestaande agrarische productie op deze waardevolle gebieden onder druk zullen zetten. In de Richtlijn is geen regeling opgenomen om deze indirecte veranderingen, veroorzaakt door een gebrek aan land, tegen te gaan. Wel is er in art. 19 lid 6 bepaald dat de Commissie uiterlijk eind 2010 een verslag moet voorleggen waarin het effect van indirecte veranderingen in landgebruik op de emissie van broeikasgassen wordt beschreven en waarin wordt nagegaan hoe dit effect kan worden geminimaliseerd. Het verslag zou waar nodig vergezeld moeten gaan van een voorstel waarin een concrete methode wordt opgenomen voor emissies als gevolg van wijzigingen in de koolstofvoorraden veroorzaakt door indirecte veranderingen in landgebruik. Het Europees Parlement en de Raad zouden vervolgens uiterlijk op 31 december 2012 een besluit dienen te nemen over dit voorstel.

Om de omvang van ILUC als gevolg van de sterk stijgende vraag naar biobrandstoffen beter in kaart te brengen heeft de Commissie een viertal analyses laten uitvoeren.[2298] Al deze studies wijzen uit dat ILUC plaatsvindt en van significante omvang is, maar laten ook zien dat het momenteel nog niet mogelijk is om ILUC-gerelateerde emissies exact te kwantificeren. Verder organiseerde de Commissie een consultatie over ILUC, waarbij reacties op een viertal vragen (waaronder de vragen of EU actie noodzakelijk werd geacht en zo ja, welke vorm deze zou moeten krijgen) tot 31 oktober 2010 konden worden ingestuurd. De officiële Nederlandse reactie was dat er inderdaad door de EU actie zou moeten worden ondernomen en dat er conform de Richtlijn hiertoe door de Commissie een wetgevend voorstel zou moeten worden uitgevaardigd. Alleen zo zou kunnen worden voorkomen dat vormen van biobrandstofproductie worden gehandhaafd en gestimuleerd die over een paar jaar als onduurzaam worden gezien en dan een obstakel vormen voor verdere verduurzaming (zogenaamde lock-in effecten). Actie zou dus op korte termijn nodig zijn, waarbij verdere verfijningen in de loop der tijd kunnen worden aangebracht als verbeterd modelleerwerk beschikbaar komt.[2299]

Op 22 december 2010 presenteerde de Commissie het rapport over ILUC als gevolg van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.[2300] Daarin werd onderstreept dat ILUC een negatieve invloed kan uitoefenen op de klimaateffecten van biobrandstoffen, als er geen maatregelen worden getroffen. Voordat er echter waar nodig maatregelen getroffen kunnen worden zou er meer onderzoek moeten worden gedaan. Uiterlijk in juli 2011 wil de Commissie met een nieuwe studie over de gevolgen van ILUC komen, waar nodig samen met een voorstel voor wijziging van de Richtlijn en de Brandstofkwaliteitsrichtlijn. Het Europees Parlement bekritiseerde de vertraging die zo optreedt in een rapport van begin maart 2011.[2301]

Referenties

Broek, R. van den, Walwijk, M. van, Niermeijer, P. & Tijmensen, M. (2003). Biofuels in the Dutch market: a fact-finding study. Utrecht: Novem, Ecofys.

Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biobrandstoffen (2009). Advies over duurzaamheidscriteria vaste biomassa. http://www.corbey.nl .

Commissie van de EG, Voortgangsverslag over duurzame energie: Verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2001/77/EG, artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2003/30/EG en over de uitvoering van het Europees Actieplan Biomassa, COM(2005) 628, {SEC(2009) 503 definitief}, Brussel, 24.4.2009.

Projectgroep Duurzame productie van biomassa (2007), Toetsingskader voor duurzame biomassa, april 2007

The Gallagher review of the indirect effects of biofuels production: http://www.dft.gov.uk/rfa/db/documents/Report of the Gallagher review.pdf.

[2281] De formulering ‘...het gebruik als vervanging van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen dieselolie of benzine in het vervoer te bevorderen...’ in art. 1 van de Nederlandse versie van de Richtlijn berust vermoedelijk op een vergissing.

[2282] Kortheidshalve wordt in het vervolg de term ‘biobrandstoffen’ gebruikt voor biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen tezamen.

[2283] COM(2001)370.

[2284] COM(2001)547.

[2285] COM(2006) 848 i.

[2286] Eerste generatie biobrandstoffen zijn aan voedsel gerelateerd, bv. palmolie. Tweede generatie biobrandstoffen zijn niet aan voedsel gerelateerd, bv. houtsnippers.

[2287] TK 2004-2005, 21 109, nr. 143.

[2288] Kamerstukken II 2007/08, 31 200 XI, nr. 38.

[2289] Van den Broek et al. (2003).

[2290] VROM (2004).

[2291] TK 2003-2004, 29 667, nr. 1.

[2292] Zie ook Van den Broek et al. (2003)

[2295] TK 2009-2010, 31 209, nr. 125 en bijlage, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-79138.pdf .

[2296] TK 2010-2011, 31 209, nr. 144 en bijlage, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-89203.pdf

[2298] Global trade and environmental impact study of the EU biofuels mandate; Impacts of the EU biofuel target on agricultural markets and land use: a comparative modelling assessment; The impact of land use change on greenhouse gas emissions from biofuels and bioliquids – literature review en Indirect land use change from increased biofuels demand – comparison of models and results for marginal biofuels production from different feedstocks. De eindversie van deze analyses zijn beschikbaar op http://ec.europa.eu/energy/renewables/studies/land_use_change_en.htm .

[2300] Report from the Commission on indirect land-use change related to biofuels and bioliquids, COM(2010)811 final, beschikbaar op http://ec.europa.eu/energy/renewables/biofuels/doc/land-use-change/com_2010_811_report_en.pdf . Zie ook http://ec.europa.eu/energy/renewables/biofuels/land_use_change_en.htm