2003/87/EG (PbEU L275, 25.10.2003) voorgesteld 23.10.2001 – COM(2001)581 | Richtlijn tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad |
2004/101/EG (PbEU L338, 13.11.2004) voorgesteld 23.7.2003 – COM(2003)403 | Wijziging met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto |
2008/101/EG (PbEU L8, 13.1.2009) voorgesteld 20.12.2006 – COM(2006)818 | Wijziging teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap |
2009/29/EG (PbEU L140, 5.6.2009) voorgesteld 23.1.2008 – COM(2008)16 | Wijziging teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden |
2216/2004/EG (PbEU L386, 29.12.2004) | Verordening inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem |
916/2007/EG (PbEU L200, 1.8.2007) | Wijziging van Verordening 2216/2004 |
994/2008/EG (PbEU L271, 11.10.2008) | Verordening inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem |
2006/780/EG (PbEU L316, 16.11.2006) | Beschikking inzake het voorkomen van dubbeltellingen van reducties van broeikasgasemissies in het kader van de communautaire regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten voor projectactiviteiten uit hoofde van het Protocol van Kyoto |
2007/589 (PbEU L229, 31.8.2007) | Beschikking tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG |
2009/73/EG (PbEU L24, 28.1.2009) | Beschikking tot wijziging van Beschikking 2007/589/EG teneinde daarin monitoring- en rapportagerichtsnoeren op te nemen voor de emissies van distikstofoxide |
2010/345/EG (PbEU L155, 22.6.2010) | Beschikking tot wijziging van Beschikking 2007/589/EG met het oog op de opname van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissie van broeikasgassen bij de afvang, het transport en de geologische opslag van kooldioxide |
2009/450/EG (PbEU L149, 12.6.2009) | Beschikking betreffende de nadere interpretatie van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad genoemde luchtvaartactiviteiten |
2010/2/EG (PbEU L1, 5.1.2010) | Besluit tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2 -weglekrisico |
2010/387/EU (PbEU L175, 10.7.2010) | Besluit betreffende de hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap die in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten voor 2013 moet worden verleend |
Rechtsgrondslag | Art. 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen (2003/87/EG) Omzetting in nationale regelgeving | 31 december 2003 |
Publicatie toewijzingsplannen | 31 maart 2004 |
Eerste periode van het systeem voor emissiehandel | 2005 tot 2007 |
Verslag van de lidstaten | 30 juni 2005 |
Verslag van de Commissie | 30 juni 2006 |
Tweede periode van het systeem voor emissiehandel | 2008 tot 2012 |
Bindende termijnen (2004/101/EG) Omzetting in nationale regelgeving | 13 november 2005 |
Bindende termijnen (2008/101/EG) Omzetting in nationale regelgeving | 2 februari 2010 |
Bindende termijnen (2009/29/EG) Omzetting in nationale regelgeving | 31 december 2012 |
Omzetting in nationale regelgeving van artikel 1, lid 10 betreffende aanpassing van de hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap | 31 december 2009 |
Omzetting in nationale regelgeving van artikel 1, lid 13 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen | 31 december 2009 |
Opmerking: Verordening 994/2008 trekt Verordening 2216/2004 in per 31 december 2011.
Richtlijn 2003/87 stelt een regeling vast voor de handel in broeikasgasemissierechten, met het oog op het voldoen aan de verplichtingen van de Gemeenschap in het kader van het Kyoto Protocol om de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen met 8 procent tussen 2008 en 2012, in vergelijking met het niveau in 1990.
Richtlijn 2004/101 wijzigt Richtlijn 2003/87 met het oog op het koppelen van het emissiehandelsysteem (ETS) van de EU aan de projectgebonden mechanismen van het Kyoto Protocol. Richtlijn 2008/101 zorgt er voor dat luchtvaartactiviteiten ook binnen het ETS worden opgenomen. Richtlijn 2009/29, tenslotte, bevat ingrijpende wijzigingen en uitbreidingen van het systeem voor de periode na 2012.
14.13.4 Samenvatting van de Richtlijn
Richtlijn 2003/87 (zoals gewijzigd door Richtlijnen 2004/101, 2008/101 en 2009/29)[2319] stelt een regeling vast voor de handel in broeikasgassen in de hele Gemeenschap. De oorspronkelijke Richtlijn heeft betrekking op twee periodes: de eerste periode liep van 1 januari 2005 tot eind 2007. Deze periode is gebruikt om er voor te zorgen dat de werking van de regeling aangescherpt kan worden in de tweede periode. Deze tweede periode loopt van 1 januari 2008 tot eind 2012, waardoor het dus gelijk loopt met de eerste verplichtingsperiode van het Kyoto Protocol en de daarin vervatte internationale emissiehandel. De derde periode gaat van start op 1 januari 2013, en draagt onder meer bij aan het behalen van de op EU-niveau geformuleerde emissiereductiedoelstellingen voor 2020 (zie §???).
De Richtlijn is van toepassing op emissies uit de in Bijlage I genoemde activiteiten en de in Bijlage II genoemde broeikasgassen (art. 2, lid 1). Onder de in Bijlage I genoemde activiteiten vallen de de activiteiten van de volgende installaties: grote elektriciteitscentrales (meer dan 20 MW), aardolieraffinaderijen en cokeovens; ijzer-, staal- en aluminiumfabrieken; cement-, glas-, pulp- en papierfabrieken en fabrieken voor keramische producten; en fabrieken van verschillende chemische producten, waaronder salpeterzuur, adipinezuur en ammoniak. Daarnaast vallen het onder het toepassingsgebied het afvangen, opslaan en vervoer van broeikasgassen op een opslaglocatie waar krachtens Richtlijn 2009/31 een vergunning is verleend (zie §???). Tenslotte vallen bepaalde luchtvaartactiviteiten onder de Richtlijn: in beginsel is de Richtlijn van toepassing op alle vluchten die vertrekken vanaf of aankomen op een luchtvaartterrein in een van de lidstaten. Er is echter een aantal uitzonderingen op deze regel, onder andere voor officiële vluchten van staatshoofden, regeringsleiders, etc. van niet-lidstaten, militaire vluchten, humanitaire vluchten, lesvluchten, testvluchten en vluchten voor wetenschappelijk onderzoek,en vluchten met kleine vliegtuigen (minder dan 5700 kg).
De in Bijlage II genoemde broeikasgassen zijn de zes gassen die ook zijn opgenomen in het Kyoto Protocol: kooldioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6).
Lidstaten kunnen er voor kiezen om unilateraal andere activiteiten en gassen in het systeem op te nemen, mits zij hierbij rekening houden met de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van het ETS en de betrouwbaarheid van bewaking en rapportage. Tevens dient de opneming goedgekeurd te worden door de Commissie (art. 24, lid 1).Kleine installaties (met emissies onder 25000 ton CO2-equivalent en een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 35 MW) kunnen op verzoek worden uitgesloten van het ETS mits er gelijkwaardige maatregelen worden genomen om voor emissiereducties te zorgen.
De exploitanten van de installaties, die de in Bijlage I genoemde activiteiten verrichten, dienen in het bezit te zijn van een vergunning voor broeikasgasemissies (art. 4), tenzij de installatie op grond van artikel 27 is uitgesloten. De exploitant is het vervolgens toegestaan om uit te stoten zoveel hij wil, mits hij een overeenkomstige hoeveelheid emissierechten inlevert. Bij de aanvraag dient de exploitant een beschrijving te geven van onder meer de installatie en haar activiteiten, de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk tot emissies zal leiden, de bronnen van de emissies van gassen uit de installatie en de voorgenomen maatregelen om de emissies te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met een door de Commissie vast te stellen Verordening (art. 5). De vergunning wordt verleend indien de bevoegde autoriteit ervan is overtuigd dat de exploitant in staat is de emissies te bewaken en te rapporteren en dient minstens om de vijf jaar getoetst te worden (art. 6, lid 1). Indien wijzigingen zich voordoen met betrekking tot de installatie, dan dient de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan op de hoogte te stellen. Op basis daarvan kan de vergunning zonodig gewijzigd worden (art. 7).
Artikel 14 van de Richtlijn roept de Commissie op om uiterlijk 31 december 2011 een Verordening vast te stellen voor de emissiebewaking en –rapportage, ter ondersteuning van het in de praktijk brengen van het systeem voor emissiehandel (dit bewakingssysteem dient niet verward te worden met het systeem besproken in § ???). De oorspronkelijke Richtlijn 2003/87 bevatte een soortgelijke oproep. Met het oog hierop heeft de Commissie in maart 2004 Beschikking 2004/156 uitgebracht. Deze is in 2007 vervangen door Beschikking 2007/589. De Beschikking bevat zowel gedetailleerde algemene als activiteitspecifieke richtsnoeren. Monitoring en rapportage dienen volgens de Beschikking gebaseerd te zijn op de beginselen van: volledigheid (het meenemen van alle proces- en verbrandingsemissies uit alle emissiebronnen en bronstromen en van alle broeikasgassen); consistentie (vergelijkbaarheid van emissies over een zeker tijdsverloop); transparantie (gegevens moeten zodanig verzameld en geregistreerd worden dat de ze kunnen worden geverifieerd); juistheid (het voorkomen van over- of onderschatting); kosteneffectiviteit (nauwkeurigheid zou niet moeten leiden tot onredelijk hoge kosten); betrouwbaarheid; en prestatieverbetering op het gebied van monitoring en rapportage. De Beschikking is gewijzigd door Beschikking 2009/73, teneinde monitoring- en rapportagerichtsnoeren op te nemen met betrekking tot emissies van distikstofoxide (N2O) en door Beschikking 2010/345, waarin richtsnoeren zijn opgenomen met betrekking tot de emissie van broeikasgassen bij de afvang, het transport en de geologische opslag van kooldioxide. Beschikking 2006/780 is er op gericht om te voorkomen dat er geen dubbeltelling plaatsvindt van emissiereductie-activiteiten in installaties waar projectactiviteiten plaatsvinden in het kader van de flexibele mechanismen van het Kyoto Protocol, maar die ook deelnemen aan het emissiehandelsysteem. De Richtlijn bepaalt dat de door de exploitanten ingeleverde verslagen dienen te worden geverifieerd. Voor de procedure van verificatie en voor de accreditatie van verificateurs dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2011 een Verordening vast te stellen (art. 15).
De totale hoeveelheid emissierechten in de Gemeenschap neemt vanaf 2013 lineair af. Deze lineaire factor is 1,74% van de gemiddelde jaarlijkse totale hoeveelheid emissierechten die door de lidstaten in hun nationale toewijzingsplannen voor de periode 2008-2012 zijn verleend. De Commissie diende uiterlijk op 30 juni 2010 de hoeveelheid emissierechten voor 2013 voor de Gemeenschap te publiceren en kan, indien nodig, na 2020 een voorstel indienen om de lineaire factor aan te passen (art. 9).[2320]
Voor installaties die tussen 2008 en 2012 unilateraal door lidstaten in het ETS waren opgenomen wordt de hoeveelheid aangepast in overeenstemming met de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid die deze installaties hebben ontvangen, vernminderd met de lineaire factor van 1,74% (art. 9bis, lid 1). Een aanpassing vindt eveneens plaats voor installaties die vanaf 2013 voor het eerst onder het systeem vallen (bijvoorbeeld de aluminiumsector). Deze installaties dienen voor 30 april 2010 onderbouwde emissiegegevens bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten indienen om in aanmerking te komen voor een aanpassing. De lidstaten dienen de Commissie voor 30 juni 2010 in kennis te stellen hierover (art. 9bis, lid 2). De Commissie dient vervolgens uiterlijk 30 september 2010 de eventueel aangepaste hoeveelheden te publiceren.
Naar aanleiding van Richtlijn 2009/29 is de nieuwe hoofdregel van het ETS dat emissierechten geveild worden vanaf 2013. De hoeveelheid te veilen emissierechten dient door de Commissie uiterlijk 31 december 2010 gepubliceerd te worden (art. 10, lid 1). Het grootste deel (88%) wordt gelijk verdeeld over de lidstaten op basis van de geverifieerde emissies voor 2005 (of voor de periode 2005-2007 indien dit meer is). Daarnaast wordt 10% toegewezen aan bepaalde lidstaten met het oog op solidariteit en groei, en wordt 2% toegewezen aan lidstaten waarvan de emissies in 2005 tenminste 20% lager lagen dan de emissies in het referentiejaar van het Kyoto Protocol (art. 10, lid 2).
Hoewel lidstaten in beginsel zelf mogen bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt, geeft de Richtlijn aan dat de helft ten minste gebruikt zou moeten worden voor de volgende doeleinden (art. 10, lid 3):
Bijdragen aan internationale fondsen voor emissiereducties en aanpassing aan klimaatverandering.
Ontwikkeling van duurzame energie en energie-efficiëntietechnologieën om aan de EU-doelstellingen op deze gebieden te voldoen.
Maatregelen ter voorkoming van ontbossing en ter bevordering van (her)bebossing in ontwikkelingslanden.
Maatregelen ter bevordering van het vastleggen van CO2 door bosbouw in de EU.
Afvang en opslag van CO2, ook in derde landen.
Aanmoedigen van emissiereducties in het vervoer.
Financiering van onderzoek naar energie-efficiëntie en schone technologieën in ETS-sectoren.
Energie-efficiëntiemaatregelen in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen.
Dekking van administratieve kosten van het systeem.
De Commissie diende uiterlijk 30 juni 2010 een Verordening vast te stellen over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om er voor te zorgen dat deze op een open, transparante, geharmoniseerde en nietdiscriminerende wijze worden uitgevoerd.[2321] Hoewel de Verordening dus gedetailleerde bepalingen inzake veilingen zal bevatten geeft de Richtlijn al aan dat veilingen zodanig opgezet moeten worden dat: a) exploitanten volledige, eerlijke en gelijke toegang krijgen; b) alle deelnemers op hetzelfde tijdstip toegang hebben tot dezelfde informatie en dat deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen; c) de organisatie van en deelname aan veilingen kosteneffectief is en onnodige administratieve kosten worden vermeden; en d) de toegang tot emissierechten wordt toegekend voor kleine uitstoters (art. 10, lid 4).
Hoewel veilen de nieuwe regel is, bevat de Richtlijn een behoorlijk aantal uitzonderingen waarvoor geldt dat emissierechten kosteloos worden toegewezen. Hiervoor dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen vast te stellen. De Richtlijn geeft hiervoor al enige aanwijzingen. Zo dient de toewijzing voor zover mogelijk te geschieden op basis van ex ante benchmarks met het oog op het bevorderen van een toewijzing die de reductie van broeikasgassen en energie-efficiënte technieken stimuleert. Deze benchmarks moeten in principe berekend worden op basis van producten en niet de inputs in die producten, om zo mogelijk het hele productieproces te beïnvloeden. De benchmarks dienen bepaald te worden in overleg met belanghebbenden, inclusief de relevante bedrijfstakken (art. 10bis, lid 1). Bij het vaststellen van de benchmark wordt verder uitgegaan van de gemiddelde emissieprestaties van de 10% meest efficiënte installaties in een bedrijfstak in de periode 2007-2008 (art. 10bis, lid 2).
Hoewel voor elektriciteitsopwekking de regel is dat kosteloze toewijzing niet meer plaats zal vinden (art. 10 bis, lid 3), maakt de Richtlijn een beperkt aantal uitzonderingen, met name met het oog op modernisering van de sector in bepaalde nieuwe lidstaten (art.10quater). Kosteloze toewijzing vindt tevens plaats voor stadsverwarming en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling. De toewijzing neemt af met de lineaire factor van 1,74% (art. 10bis, lid 4). De berekening van de hoeveelheid emissierechten
Vijf procent van de hoeveelheid emissierechten van 2013 tot 2020 wordt gereserveerd voor nieuwkomers. Deze emissierechten worden in beginsel kosteloos toegewezen; indien de rechten niet worden gebruikt worden ze alsnog geveild (art. 10bis, lid 7). In de nieuwkomersreserve zijn maximaal 300 miljoen emissierechten beschikbaar in de periode tot 31 december 2015 voor het stimuleren van het opzetten en exploiteren van maximaal 12 commerciële demonstratieprojecten op het gebied van de afvang en opslag van CO2 en voor hernieuwbare energieprojecten binnen de EU (art. 10bis, lid 8). Kosteloze toewijzing vindt niet plaats aan installaties waarvan de werking beëindigd is (art. 10bis, lid 19).
De hoeveelheid emissierechten die kosteloos wordt toegewezen is 80% van de totale hoeveelheid in 2013, 30% in 2020 en uiteindelijk is het doel om vanaf 2027 emissierechten niet meer kosteloos toe te wijzen en dus alles te veilen (art. 10bis, lid 11).Lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2011 de lijst met installaties binnen hun grondgebied die in aanmerking komen voor kosteloze toewijzing te publiceren en aan de Commissie te verstrekken (art. 11, lid 1). De rechten dienen ieder jaar op uiterlijk 28 februari te worden verleend (art. 11, lid 2).
Een reeks maatregelen is opgenomen in de Richtlijn om zorgen weg te nemen over het zogenaamde weglekeffect (emissies in derde landen gaan omhoog als gevolg van Europese maatregelen).
Ten eerste gelden de overgangsregels voor kosteloze toewijzing voor bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat (art. 10bis, lid 12). Hiervoor dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2009 en daarna om de vijf jaar een lijst van bedrijfstakken of deeltakken vast te stellen (art. 10bis, lid 13) op basis van criteria vermeld in de Richtlijn. Er bestaat in ieder geval een significant risico als de Richtlijn leidt tot een stijging van de productiekosten met ten minste 5% van de bruto toegevoegde waarde en de intensiteit van de handel met derde landen hoger is dan 10% (art. 10bis, lid 15). Daarnaast is er ook sprake van een significant risico indien de productiekosten met meer dan 30% van de bruto toegevoegde waarde stijgen of als de handelintensiteit hoger is dan 30% (art. 10bis, lid 16). Daarnaast geeft de Richtlijn aanvullende kwalitatieve criteria voor de bepaling van de lijst, waaronder de mate waarin installaties hun emissieniveau of elektriciteitsverbruik kunnen verlagen, de huidige en verwachte marktstructuur en winstmarges (art. 10bis, lid 17). Tevens dient rekening gehouden te worden met de emissiereductiemaatregelen die derde landen hebben genomen (art. 10bis, lid 18). Besluit 2010/2/EG is de eerste vaststelling van de Commissie van de in de Richtlijn bedoelde lijst.
Ten tweede bepaalt de Richtlijn dat de Commissie uiterlijk op 30 juni een verslag moet indienen met een beoordeling van de situatie voor energie-intensieve bedrijven die onder het ETS vallen. Indien nodig wordt dit verslag vergezeld door voorstellen, zoals: 1) een aanpassing van het percentage emissierechten dat kosteloos wordt toegewezen aan deze bedrijfstakken of deeltakken; 2) de opneming van importeurs van de relevante producten in het systeem; of 3) een beoordeling van de effecten van het weglekeffect op de energievoorziening in nieuwe lidstaten. Bij de beoordeling over welke maatregelen het meest gepast zijn moet rekening gehouden worden met eventuele bindende sectorale overeenkomsten (art. 10ter, lid 1).
Tenslotte biedt de Richtlijn een mogelijkheid voor financiële steunmaatregelen voor bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat er een significant risico bestaat van het weglekeffect ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies. Deze kosten kunnen gecompenseerd worden, mits de maatregelen in overeenstemming zijn met de regels inzake overheidssteun (art. 10bis, lid 6).
De Richtlijn bevat uitgebreide bepalingen inzake het gebruik van emissierechten afkomstig uit projectactiviteiten. Hier wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie vóór de inwerkingtreding van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en na de inwerkingtreding daarvan.[2322]
Allereerst kunnen exploitanten de bevoegde autoriteiten verzoeken om kredieten (CER’s en ERU’s)[2323] die verleend zijn voor de periode van 2008-2012 maar niet volledig benut zijn, of anderzijds zijn toegekend, om te ruilen voor emissierechten die vanaf 2013 geldig zijn (art. 11bis, lid 2). De bevoegde autoriteiten dienen dit toe te staan voor projecten die voor 2013 zijn geregistreerd (art. 11bis, lid 3). Indien de onderhandelingen over een internationale overeenkomst op 31 december 2009 nog niet zijn afgerond mogen kredieten uit projectactiviteiten in derde landen gebruikt worden mits er een overeenkomst met deze landen is afgelsoten (art. 11bis, lid 5).
De toegestane hoeveelheid kredieten die exploitanten kunnen gebruiken tussen 2008 en 2020 is ofwel de hoeveelheid die hun was toegewezen tussen 2008 en 2012 ofwel 11% van hun totale toewijzing voor deze periode, al naar gelang welke hoeveelheid groter is. Nieuw vast te stellen regels moeten er voor zorgen dat het totale gebruik van kredieten niet meer dan 50% van de emissiereductie-inspanning voor 2020 van de ETS-sectoren bedraagt (art. 11bis, lid 8). De EU kan nog maatregelen nemen om te bepalen welke soort projectactiviteiten worden toegelaten (art. 11bis, lid 9).
De Richtlijn bevat tevens nog bepalingen voor het gebruik maken van kredieten van projectactiviteiten in de periode 2008-2012 (art. 11ter).
Zodra een internationale overeenkomst is gesloten worden alleen kredieten van projectactiviteiten in landen die de overeenkomst hebben bekrachtigd geaccepteerd per 1 januari 2013 (art. 11bis, lid 7).
Tenslotte bevat de Richtlijn bepalingen voor een nieuw soort projectactiviteiten, namelijk projecten binnen de EU (maar buiten de ETS-sectoren) waarbij emissies worden gereduceerd (art. 24bis).
De wijziging van Richtlijn 2003/87 door Richtlijn 2008/101 heeft er voor gezorgd dat vanaf 1 januari 2012 luchtvaartactiviteiten voor het eerst onder het toepassingsgebied van het ETS vallen. Aangezien deze activiteiten een bijzonder karakter hebben zijn er aparte bepalingen opgenomen in de Richtlijn. Voor het eerste jaar (1 januari 2012 t/m 31 december 2012) is de totale hoeveelheid emissierechten voor de sector gelijk aan 97% van de historische luchtvaartemissies (art. 3quater, lid 1). Vanaf 2013 is dit 95%, hoewel dit percentage gewijzigd kan worden in het kader van een algemene evaluatie van de Richtlijn (art. 3quater, lid 2). In beginsel wordt 15% van de emissierechten geveild, maar dit percentage kan verhoogd worden voor de periode vanaf 2013 (art. 3quinquies). Voor het overige kunnen emissierechten op aanvraag kosteloos worden toegewezen, waarvoor de Richtlijn specifieke bepalingen geeft (art. 3 sexies). Tenslotte wordt 3% van de emissierechten opzij gezet in een bijzondere reserve voor vliegtuigexploitanten (art. 3 septies).Beschikking 2009/450/EG geeft uitvoering aan Richtlijn 2008/101 door nadere richtsnoeren te geven over de interpretatie van luchtvaartactiviteiten genoemd in Bijlage I van Richtlijn 2003/87.
De lidstaten dienen jaarlijks verslag uit te brengen bij de Commissie over de toepassing van de Richtlijn, waarbij in het bijzonder aandacht dient te worden besteed aan de regelingen voor de toewijzing van emissierechten, het functioneren van de registers, de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen voor bewaking en rapportage, verificatie en accreditatie en aangelegenheden die verband houden met de naleving van de richtlijn en de fiscale behandeling van emissierechten, indien van toepassing (art. 21, lid 1).
De Commissie dient jaarlijks een verslag in te dienen over de werking van de koolstofmarkt (art. 10, lid 5). Indien de Commissie van oordeel is dat de markt niet naar behoren werkt, dan dient zij hierover ook een verslag in te dienen bij het Parlement en de Raad, eventueel vergezelf van voorstellen tot wijzigingen (art. 29). De Commissie kan ook maatregelen nemen indien de prijs voor emissierechten teveel schommelt (art. 29bis).
De Commissie dient tevens in juni 2006 een verslag op te stellen over de voortgang bij de toepassing van de Richtlijn (art. 30, lid 1). Hierbij kunnen aanbevelingen worden gemaakt over het eventuele opnemen van andere activiteiten en/of broeikasgassen in de bijlagen. Een soortgelijke evaluatiebepaling is opgenomen voor luchtvaartactiviteiten. Dit verslag moet uiterlijk op 1 december 2014 zijn uitgebracht (art. 30, lid 4).
In het geval er een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering wordt afgesloten geeft de Richtlijn een aantal richtsnoeren over de mogelijke verandering voor het ETS (art.28).
Naast bovengenoemde bepalingen bevat de Richtlijn nog een reeks andere bepalingen die de werking van het ETS mogelijk moeten maken. Zo zijn er bepalingen inzake de overdracht, inlevering en annulering van emissierechten (art. 12) en de geldigheid van emissierechten (art. 13). Hiervoor is een Gemeenschapsregister in werking gesteld. In dit kader dient de Commissie een Verordening vast te stellen voor een gestandaardiseerd en beveiligd stelsel van registers (art. 19). Dit is gebeurd middels Verordening 2216/2004 (gewijzigd door Verordening 916/2007). Deze Verordening zal per 31 december 2011 worden ingetrokken door Verordening 994/2008.
De lidstaten dienen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen (art. 16, lid 1). Hieronder valt het bekend maken van de namen van de exploitanten die zich niet houden aan de Richtlijnvoorschriften (art. 16, lid 2). Indien er meer uitgestoten wordt dan toegestaan, geldt in de periode van 2008 tot 2012 een boete van 100 Euro per ton en geldt eveneens dat de overschrijding het volgende jaar goedgemaakt dient te worden (art. 16, lid 3). Het bedrag wordt vanaf 2013 jaarlijks verhoogd overeenkomstig het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen (art. 16, lid 4). Voor luchtvaartexploitanten kunnen lidstaten een exploitatieverbod aan de Commissie vragen als andere maatregelen niet helpen (art. 16, lid 5).
Lidstaten dienen een of meerdere bevoegde autoriteit(en) in te stellen die met de uitvoering van de Richtlijn belast is (zijn) (art. 18). Tevens geeft de Richtlijn aan welke lidstaat in het geval van luchtvaartactiviteiten kan worden beschouwd als administrerende lidstaat (art. 18bis).
De Richtlijn wijzigt tevens de IPPC-Richtlijn (zie § ???), om ervoor te zorgen dat de vergunningen die op basis van die Richtlijn worden afgegeven aan installaties die ook onder de Richtlijn emissiehandel vallen geen emissiegrenswaarde voor directe broeikasgasemissies bevatten (art. 26). Daarnaast bevat de Richtlijn een coördinatiebepaling met betrekking tot de op basis van de IPPC-Richtlijn afgegeven vergunningen (art. 8).
De Richtlijn bevat tenslotte bepalingen over het mogelijk koppelen van het ETS aan andere emissiehandelsystemen in derde landen (art. 25).
Na de ondertekening van het Kyoto Protocol door de EG in december 1997 verscheen de eerste verwijzing naar een regeling voor emissiehandel in een Mededeling van de Commissie[2324], waarin de Raad onder meer werd verzocht om de invoering van flexibele mechanismen goed te keuren en een gemeenschappelijk handelssysteem op te zetten voor 2005. Hierop werd voortgeborduurd in de Mededeling van de Commissie over de voorbereiding van de uitvoering van het Protocol van Kyoto[2325], waarin de Commissie akkoord ging met het uitbrengen van een Groenboek met betrekking tot emissiehandel en het organiseren van een consultatie over het onderwerp in 2000. Het Groenboek werd vervolgens op 8 maart 2000 uitgebracht[2326], samen met de Mededeling inzake het beleid en de maatregelen van de EU om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen - Naar een Europees Programma inzake Klimaatverandering (EPK; zie § ???)[2327].
Tegelijk met het uitbrengen van het Groenboek werden discussies met belanghebbenden georganiseerd in het kader van het EPK. Hierin werden onder andere diverse aspecten van de ontwikkeling van de emissiehandelregeling besproken. De besprekingen benadrukten echter ook de vele meningsverschillen met betrekking tot de te volgen benadering. Tegen het eind van januari 2001 begon de Commissie met het voorbereiden van het voorstel voor een Richtlijn emissiehandel. Op 23 oktober 2001 werd vervolgens het voorstel gepubliceerd, samen met twee andere documenten ter ondersteuning van het Europese klimaatbeleid: een Mededeling gepubliceerd inzake de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het EPK[2328] en een voorstel tot ratificatie van het Kyoto Protocol door de EG (zie § ??? en § 13.X). Het voorstel had eigenlijk uitgebracht moeten worden voor de hervatting van de zesde Conferentie van Partijen bij het Klimaatverdrag in Bonn in juli 2001. Dit werd destijds echter vertraagd doordat verschillende groepen hun bezorgdheid over het voorstel uitspraken, met name Europese werkgeversorganisatie UNICE en Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Discussies over de voorgestelde Richtlijn op de EPK conferentie in juli 2001 hielpen echter om een en ander te verduidelijken en verdere consultatie werd het voorstel alsnog uitgebracht.
Nadat het voorstel was gepubliceerd werden verschillende onderwerpen door verscheidene lidstaten aangekaart. Hierop volgde bijna meteen een verdeling tussen diegenen die vonden dat de regeling een verplicht karakter diende te krijgen en anderen die een meer vrijwillige regeling voor ogen stond. Met name Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waren tegenstander van een verplichte regeling. De belangrijkste zorg van het Verenigd Koninkrijk was de potentiële onverenigbaarheid van de Europese regeling met de bestaande nationale regeling. In Duitsland was er zware oppositie van industriële groeperingen. Tevens was daar voor de publicatie van het voorstel besloten dat niet overgegaan zou worden op emissiehandel voor 2012. Duitsland kwam hier echter volledig op terug en besloot weer deel te nemen aan de onderhandelingen. Hoewel Duitsland en het Verenigd Koninkrijk dus het meest aangaven tegenstander te zijn van een verplichte regeling, waren Finland, Griekenland, Italië en Luxemburg eveneens tegen zo’n regeling. Om deze lidstaten te paaien, werd een aantal concessies gedaan. Hieronder viel de mogelijkheid om bepaalde installaties tijdens de eerste periode van de regeling uit te sluiten en de uitzonderingen van bepaalde installaties in het geval van overmacht.
Discussies over hoe de emissierechten het best verdeeld moesten worden waren ook een bron van meningsverschillen. Twee kwesties kwamen hierbij op de voorgrond. De eerste kwestie betrof de vraag of lidstaten zelf de emissierechten zouden moeten toewijzen of dat dit gedaan zou moeten worden op EU-niveau. De tweede kwestie ging over de kosten van emissierechten. De eerste versies van het voorstel gaven aan dat lidstaten de emissierechten aan bedrijven dienden toe te wijzen, zonder de Europese regels met betrekking tot overheidssteun te schenden. Het vermoeden bestond echter dat dit er toe zou leiden dat bepaalde industrieën in sommige landen hierdoor onterecht een verbeterde concurrentiepositie zouden bemachtigen. Het Parlement steunde echter het voorstel om de lidstaten zelf de emissierechten toe te laten wijzen, maar met een beperking van de verdeling om te voorkomen dat de markt verstoord zou worden. De uiteindelijke tekst bepaalde dat lidstaten zelf door middel van nationale toewijzingsplannen mochten bepalen hoe de emissierechten zouden worden toegewezen. Met betrekking tot de tweede kwestie (over de kosten van emissierechten) had de Commissie oorspronkelijk voorgesteld dat in de eerste periode de emissierechten gratis toegewezen zouden moeten worden op basis van historische emissies (dit principe wordt ook wel ‘grandfathering’ genoemd). In de tweede periode zouden dan ook andere methodieken voor de toewijzing kunnen worden gehanteerd, zoals de veiling van emissierechten. De meeste lidstaten wilden echter dat de emissierechten in beide perioden gratis zouden zijn, zodat bedrijven bereid zouden zijn om deel te nemen. Het Parlement suggereerde vervolgens een systeem waarbij de emissierechten gratis toegewezen zouden worden in de eerste periode, en een hybride regeling voor de tweede periode, waarbij 15 procent door middel van een veiling toegewezen zou worden en de overige 85 procent gratis. Sommige ’milieu-organisaties betoogden dat een groter deel van de emissierechten geveild zou moeten worden, omdat dit meer in overeenstemming is met het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’. Uiteindelijk werd overeengekomen dat 95 procent van de emissierechten in de eerste periode (2005-2007) gratis zouden worden toegewezen, terwijl de overige 5 procent geveild zou worden. Voor de tweede periode (2008-2012) werd het percentage dat geveild diende te worden verhoogd naar 10 procent.
Een andere concessie die werd gedaan had ging over ‘pooling’. Dit was met name om de steun van Duitsland voor het voorstel te winnen. Het idee stuitte oorspronkelijk op verzet van de Commissie, omdat gevreesd werd dat de bedrijven die in een pool zitten niet meer extern zouden handelen, waarmee de marktliquiditeit bedreigd zou worden. Duitsland drong echter met succes aan op dit mechanisme, om de bestaande sectorale klimaatovereenkomsten te behouden.
Op 30 juli 2003 bracht de Commissie een voorstel[2329] uit om de Richtlijn emissiehandel te wijzigen om de projectmechanismen uit het Kyoto Protocol te koppelen aan de EU-regeling voor de handel in emissierechten (de zgn. ‘linking directive’). Hiermee zou het mogelijk worden om via de Kyoto mechanismen ‘Joint Implementation’ (JI) en ‘Clean Development Mechanism’ (CDM) emissierechten aan te kopen. Over de Richtlijn werd in april 2004 overeenstemming bereikt tussen Parlement en de Raad[2330] en Richtlijn 2004/101 werd in oktober 2004 uitgebracht. In de Wijzigingsrichtlijn werd overeengekomen dat er voor de periode van 2008 tot 2012 een limiet op het gebruik van de emissierechten verkregen via JI en CDM activiteiten wordt vastgesteld, welke opgenomen dient te worden in de nationale allocatieplannen. Voor de eerste periode van 2005 tot 2007 wordt er geen limiet bepaald. De emissierechten verkregen via CDM kunnen al gebruikt worden in de eerste periode, de JI-kredieten gelden vanaf 2008. Putten werden in de eerste periode nog uitgesloten van het emissiehandelssysteem. Tenslotte werd overeengekomen dat de werking van de Richtlijn niet meer afhankelijk was van de inwerkingtreding van het Kyoto Protocol.
Op 20 december 2006 bracht de Commissie een voorstel uit om luchtvaartactiviteiten in twee stappen onder te brengen in het ETS. Vanaf januari 2011 zouden emissies van alle binnenlandse en buitenlandse vluchten tussen luchthavens in de EU onder het toepassingsgebied vallen. Een jaar later zouden dan ook alle internationale vluchten – van en naar landen buiten de EU – die landen of opstijgen binnen Europese luchthavens hieronder vallen. Publieksraadpleging gaf aan dat deze maatregel het meest waarschijnlijk zou leiden tot verminderingen van de uitstoot van de sector. In de eerste lezing van het Parlement op 12 november 2007 werd voorgesteld om de totale hoeveelheid rechten voor de sector te verminderen, meer te veilen, en de maatregel toe te passen op alle vluchten vanaf 2011. De Milieuraad verwierp bijna alle wijzigingen in december 2007, maar het Parlement nam wederom een aantal wijzigingen aan in de tweede lezing in april 2008. Een compromis werd uiteindelijk bereikt in juni 2008, waarin de voorkeuren van de Raad grotendeels behouden bleven.
In de eerste periode (2005-2007) werden emissierechten dus toegewezen middels door lidstaten opgestelde nationale toewijzingsplannen. Deze plannen moesten voor eind maart 2004 ingediend zijn bij de Commissie, maar eind 2004 waren nog steeds niet alle plannen binnen. Pas op 20 juni 2005 werd het laatste plan (van Griekenland) aanvaard. In totaal keurde de Commissie de toewijzing van ongeveer 6,57 miljard emissierechten aan meer dan 11.400 installaties goed voor de periode van 2005 tot 2007. Niettemin vroeg de Commissie 14 van de 25 lidstaten om minder rechten toe te wijzen. Dit zorgde voor een vermindering van meer dan 290 miljoen emissierehten (oftewel 4% van het totaal aantal voorgestelde emissierechten). Het toewijzingsproces werd echter bekritiseerd, met name toen in april 2006 bleek dat geverifieerde emissies aanzienlijk lager waren dan het aantal rechten dat was toegewezen. Het gebrek aan vraag zorgde voor een dramatische val van de prijs van emissierechten. Sommigen zagen dit als bewijs van excessieve toewijzing door de lidstaten; anderen gaven aan dat het ook mogelijk is dat het systeem daadwerkelijk tot emissiereducties heeft geleid. Niettemin kan moeilijk ontkend worden dat lidstaten – mede onder druk van een korte omzettingsperiode, slechte beschikbaarheid van de nodige gegevens, en lobbyisten van de ETS-sectoren – meer emissierechten hebben toegewezen dan nodig.[2331]
De nationale toewijzingsplannen voor de tweede periode (2008-2012) dienden uiterlijk in juni 2006 bij de Commissie ingeleverd te worden. Op 22 december 2005 bracht de Commissie een Mededeling uit met verdere richtsnoeren voor het opstellen van de plannen.[2332] Hiermee beoogde de Commissie te voorkomen dat het indienen van de plannen wederom vertraging zou oplopen. Daarnaast liepen de plannen erg uiteen in de eerste fase; ook iets wat de Commissie in de tweede fase wilde voorkomen. Tevens probeerde de Commissie met de richtsnoeren er voor te zorgen dat de lidstaten op het goede spoor zouden blijven om hun Kyoto doelstellingen te halen. De goedkeuring van de plannen voor de tweede periode werd afgerond op 26 oktober 2007 (met de goedkeuring van het Roemeense plan). De Commissie was strenger dan in de eerste ronde en verzocht bijna alle lidstaten om wijzigingen in de toewijzingen. Dit leidde tot een vermindering van 10,5% in emissierechten. Alleen Denemarken, Frankrijk, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk hoefden hun totale hoeveelheid niet te wijzigen.
In december 2008 bracht de Commissie Beschikking 2009/73 uit, met name naar aanleiding van een verzoek van Nederland om distikstofoxide op te nemen in het ETS in de periode van 2008 tot 2012.
Zoals voorzien in de oorspronkelijke Richtlijn, diende de Commissie in november 2006 een eerste evaluatie in van het systeem.[2333] Hierin gaf de Commissie al aan wat voor mogelijke wijzigingen zij in gedachten had. Binnen het kader van het EPK werden discussies in een werkgroep gestart over een herziening van de Richtlijn. Deze groep richtte zich op de volgende onderwerpen: 1) toepassingsgebied; 2) verdergaande harmonisatie (met name voor het vaststellen van de totale hoeveelheid emissierechten en de toewijzingsmethodiek); 3) naleving; en 4) het koppelen met emissiehandelsystemen in derde landen. Dit proces leidde uiteindelijk tot een voorstel om Richtlijn 2003/87 te wijzigen.[2334] Het voorstel, dat werd ingediend in het kader van het klimaat- en energiepakket (zie § ???), had tot doel om een aantal van de problemen in de eerste twee fasen van het systeem aan te pakken. Zo werd voorgesteld om vanaf 2013 de totale hoeveelheid emissierechten en de toewijzingsmethode te bepalen om EU niveau. Tevens werd voorgesteld om het veilen van emissierechten de hoofdregel in plaats van de uitzondering te maken. Verder werden er nieuwe bepalingen voorgesteld inzake het mogelijke weglekeffect – een onderwerp dat pas echt ter sprake kwam na de invoering van het ETS – en werden er nieuwe bepalingen voorgesteld voor de toegang tot kredieten van projectactiviteiten, rekening houdend met de onzekere internationale situatie over de opvolger van het Kyoto Protocol.
Uiteindelijk werd de Richtlijn wederom bijzonder snel aangenomen – binnen 1 jaar – en werden de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke Richtlijn bleken niet heel controversieel. Niettemin waren er nog wel een aantal punten waar van mening over verschild werd:
De mate waarin emissierechten geveild worden: het voorstel ging verder dan de de eindversie van de Richtlijn, maar met name lidstaten drongen er op aan om niet te snel over te schakelen op het veilen van emissierechten voor de niet-elektriciteitssectoren. Ook voor de elektriciteitssector was een uitzondering nodig om de steun van Polen te krijgen.
De bepaling van bedrijfstakken of deeltakken waarvoor een significant risico op het weglekeffect bestaat: de bepalingen in de Richtlijn zijn meer gedetailleerd dan voorgesteld door de Commissie. Zo wilden de lidstaten dat de Commissie eerder zou bepalen voor welke bedrijven er een risico bestaat; dat de criteria hiervoor vermeld zouden worden in de Richtlijn; en dat de mogelijke maatregelen om energie-intensieve bedrijven te compenseren specifieker zouden worden.
De opbrengsten van veilingen: de lidstaten wilden zich het recht voorbehouden om zelf te bepalen wat te doen met de veilingopbrengsten. De Commissie en het Parlement daarentegen hadden specifieke doelen voor deze opbrengsten in gedachten. Het compromis is dat de lidstaten zelf mogen bepalen hoe het geld besteed wordt, maar dat zij zich voor 50% wel aan de richtsnoeren van de Richtlijn houden.
Evenals alle andere lidstaten slaagde Nederland er niet in om Richtlijn 2003/87 voor 1 januari 2004 om te zetten in nationale regelgeving. Hierover zijn begin juli 2004 door de Commissie een reeks schriftelijke aanmaningen verzonden naar een aantal lidstaten, waaronder Nederland.[2335] Uiteindelijk is de regelgeving op tijd in werking getreden voor de start van de emissiehandel per 1 januari 2005. Hieronder worden de belangrijkste elementen van deze regelgeving besproken.
In maart 2003 werd een voorontwerp gepubliceerd[2336] van een voorstel ter implementatie van de Richtlijn en het wetsvoorstel voor de Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten is uiteindelijk in mei 2004 uitgebracht. Al met al betrof het echter wel zeer uitgebreide wetgeving, iets wat op gespannen voet stond met de krappe implementatietermijn.[2337] De voor de implementatie van de Richtlijn relevante onderdelen traden grotendeels per 1 januari 2005 in werking, met uitzondering van een aantal bepalingen waarvoor een eerdere inwerkingtreding vereist was, in verband met het geven van een juridische basis van het nationale toewijzingsbesluit (zie hierna).[2338]
De implementatiewet voegde een nieuw hoofdstuk 16 in de Wm toe over de handel in broeikasgasemissierechten en wijzigde hoofdstukken 2 en 18 Wm op belangrijke punten. Tevens werden enkele andere hoofdstukken (8, 19, 20 en 21) van de Wm op enkele punten gewijzigd.
De wijzigingen in hoofdstuk 2 betroffen de instelling van een nieuw zelfstandig bestuursorgaan (ZBO), de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), waarmee aan de verplichting van artikel 18 van de Richtlijn voldaan moest worden. Tot de taken van de NEa behoren de taken die in hoofdstuk 16 en 18 worden opgedragen. Hieronder valt het verlenen van emissievergunningen en emissierechten, de toezicht op de juistheid van de gegevens in emissieverslagen, het bijhouden van een register van de handel in broeikasgasemissierechten, en het handhaven van het systeem.Naar verwachting zal de NEa in 2010 een ZBO worden.[2339]
Het invoegen van het nieuwe hoofdstuk 16 in de Wm heeft als gevolg dat de basis wordt gecreëerd voor emissiehandel. Titel 16.2 heeft betrekking op de handel in broeikasgasemissierechten. Bedrijven (inrichtingen) dienen een vergunning te verkrijgen van het bestuur van de NEa om broeikasgassen uit te mogen stoten Gedetailleerde bepalingen over de vergunningaanvraag zijn uitgewerkt in het Besluit handel in emissierechten.[2340] Dit Besluit bevat algemene eisen met betrekking tot de vergunningaanvraag, de monitoring, de rapportage en de verificatie. Daarnaast geeft de Regeling monitoring handel in emissierechten[2341] onder meer uitwerking aan de Beschikkingen van de Commissie met betrekking tot de richtsnoeren voor de bewaking en rapportage van de emissiehandel.
De Wm (art. 16.4) bevat een dynamische verwijzing naar Richtlijn 2003/87, waardoor wijzigingen van de Richtlijn direct gaan gelden (tenzij anders bepaald). De Wm bevat ook een dynamische verwijzing naar de broeikasgassen opgenomen in Richtlijn 2003/87. Hoewel de oorspronkelijke Richtlijn alleen betrekking had op CO2, is het toepassingsgebied van de Richtlijn – en hiermee dus ook de Nederlandse wetgeving – uitgebreid naar andere broeikasgassen vanaf 2013. Nederland heeft tevens gebruik gemaakt van de opt-in mogelijkheid van artikel 24 van de Richtlijn voor N2O (zie hieronder).
Voor de omzetting van Richtlijn 2008/101 zijn onder meer wijzigingen doorgevoerd in de Wm en de Wet luchtvaart middels de Wijzigingswet Wet milieubeheer, enz. (implementatie richtlijn nr. 2008/101/EG (handel in emissierechten luchtvaart)).[2342] Daarnaast is onderliggende regelgeving, zoals het Besluit handel in emissierechten, gewijzigd. Daarnaast is een nieuwe regeling gecreëerd, de Regeling interpretatie luchtvaartactiviteiten handel in emissierechten[2343], om uitvoering te geven aan Beschikking 450/2009/EG.
Hoewel Verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn, is voor de uitvoering van Verordening 2216/2004 de Uitvoeringswet EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten (een wijziging van de Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten) aangenomen.[2344]
Het grootstse deel van Richtlijn 2009/29 dient echter pas uiterlijk op 31 december 2012 omgezet te zijn (met uitzondering van art. 9bis, lid 2 en art. 11). Op grond van de Richtlijn zullen voor de periode na 2012 geen nationale allocatieplannen meer gemaakt worden. Niettemin zal hieronder de totstandkoming van de allocatieplannen voor de periodes 2005-2007 en 2008-2012.
Op 24 februari 2004 werd het eerste Nationaal Allocatieplan gepubliceerd[2345], welke na een inspraakronde op 16 april 2004 werd afgerond en naar de Commissie werd verzonden. Voor de periode 2005 t/m 2007 werden in het plan meer emissierechten toegewezen dan in het door RIVM en ECN ten behoeve van de besluitvorming geproduceerde rapport geraamd is.[2346] Voor de periode werd een jaarlijkse CO2-ruimte vastgesteld van 115 Mton per jaar (6 Mton per jaar meer dan de raming van ECN/RIVM). Het gevolg van deze ruime toewijzing zou zijn dat Nederlandse bedrijven winst kunnen behalen door overschotten te verkopen aan buitenlandse bedrijven die minder ruim zijn toebedeeld, als de groei in emissies kleiner zou zijn dan ingeschat door het allocatieplan. De Commissie gaf echter aan dat 115 Mton niet acceptabel was[2347], waarop Nederland het emissieplafond heeft verlaagd naar 112 Mton. Hiervan is 95,5 Mton beschikbaar voor emissiehandel. Voor 2010 wordt uitgegaan van een emissieruimte van 112 Mton.[2348] De helft van de verlaging hiervan komt doordat de Commissie het niet bespreekbaar vond dat Nederland de reserves, bedoeld voor onbekende nieuwkomers en uitkomsten van eventueel beroepsprocedures, na afloop van de periode terug zouden geven aan de bedrijven. Deze reserves zijn nu verkleind van 4 naar 2,5 megaton per jaar.[2349] Nadat deze wijzigingen waren toegezegd, heeft de Commissie het plan geaccepteerd.[2350] Door middel van het op 25 oktober 2004 gepubliceerde nationaal toewijzingsbesluit broeikasgasemissierechten[2351] zijn de emissierechten uiteindelijk toegewezen aan de verschillende bedrijven. Het eerste nationaal allocatieplan wijst de CO2-emissierechten gratis toe en maakt dus geen gebruik van de optie van artikel 10 van de Richtlijn om een deel van de rechten te veilen.
Een ontwerp van het tweede allocatieplan werd op 23 mei 2006 uitgebracht.[2352] Na een nieuwe inspraakronde is dit ontwerpplan op 28 september 2006 naar de Commissie gestuurd. Het plan is door de Commissie in een beschikking op 16 januari 2007 voorwaardelijk goedgekeurd. De Commissie wilde dat de Nederlandse regering het voorgestelde plafond voor CO2-emissies 5% lager zou stellen dan voorgesteld in het plan.[2353] In maart 2007 heeft de regering de nodige aanpassingen gedaan om aan deze eis te voldoen.[2354] Eind 2007 wachtte de Nederlandse overheid echter nog op een definitieve goedkeuring door de Commissie, wat betekende dat de emissierechten voor 2008 niet direct verleend konden worden aan Nederlandse bedrijven.[2355] Op 25 augustus 2008 stuurde de Europese Commissie een brief waarin aangegeven werd dat Nederland de aanpassingen in het nationaal toewijzingsplan had aangebracht die waren beschreven in de beschikking van de Commissie van 16 januari 2007 en lag de weg open voor het publiceren van een nieuw toewijzingsbesluit . Een eerste versie hiervan werd uitgebracht op 21 november 2008.[2356] Tegen het besluit werden meer dan 40 beroepen ingesteld, waarvan er drie werden toegewezen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.[2357] Het definitieve, gewijzigde toewijzingsbesluit is op 28 juli 2009 vastgesteld.[2358]
De totale CO2-emissieruimte in het tweede plan voor deelnemers (inclusief nieuwkomers) voor de periode 2008-2012 is gesteld op 87,0 Mton per jaar. Hiervan wordt bijna 4% van geveild.[2359] In het toewijzingsplan voor 2008-2012 is het broeikasgas lachgas (distikstofoxide; N2O) opgenomen voor installaties die salpeterzuur uitstoten. Nederland heeft hiertoe een verzoek ingediend tot een opt-in bij de Europese Commissie in het kader van artikel 24 van de Richtlijn.
In 2000 is door de toenmalige minister van VROM aan een externe commissie opgedragen om te adviseren over de haalbaarheid van CO2-emissiehandel. Begin 2002 werd door de Commissie CO2 handel, ook wel de commissie Vogtländer genoemd, een verslag uitgebracht over de haalbaarheid en wenselijkheid van een stelsel van CO2-emissiehandel in Nederland voor het behalen van de emisssiereductiedoelstellingen. Daarin werd geconcludeerd dat dit inderdaad haalbaar, wenselijk en efficiënt was, waarbij werd genoteerd dat een Europees of internationaal emissiehandelssysteem nog beter zou werken.[2360] Uit een onderzoek medio 2004 bleek echter dat bijna de helft van de Europese bedrijven de deadline van 1 januari 2005 niet zou halen. In Nederland zou ongeveer 23% van de bedrijven niet op tijd klaar zijn.[2361] In een brief aan het bedrijfsleven heeft de staatssecretaris daarop het bedrijfsleven aangespoord om zo snel mogelijk te beginnen met het vervullen van de eisen die nodig zijn bij een vergunningaanvraag. De aanvraag kon al gedaan worden voordat het wetsvoorstel was gepubliceerd.[2362]
In Nederland werd van april tot oktober 2004 een grootschalige demonstratie emissiehandel gehouden om de emissiehandel in de praktijk te testen voordat de handel in 2005 zou beginnen. Hieraan deden 25 bedrijven mee.Doel van de demonstratie was om bedrijven er toe te bewegen vroeg te starten met de voorbereiding, het opdoen van ervaringen door alle partijen en het toetsen van de mate waarin betrokken partijen klaar zijn voor de invoering van emissiehandel. In de evaluatie van de demonstratie[2363] werd geconcludeerd dat aan al deze doelstellingen werd voldaan. Zowel overheid als bedrijven waren klaar voor de invoering van emissiehandel per 1 januari 2005, maar er zou nog wel gewerkt moeten worden aan optimalisatie van het systeem.
Bedrijfslocaties in Nederland die in de derde handelsperiode deelnemen aan emissiehandel moeten voor 1 juli 2011 geverifieerde historische basisgegevens aanleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) om in aanmerking te komen voor kosteloze toewijzing van emissierechten. Op basis van deze gegevens zal de NEa de hoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten berekenen voor de gehele periode 2013-2020. De NEa moet een lijst met de toewijzingen aan alle Nederlandse bedrijfslocaties uiterlijk op 30 september 2011 aan de Europese Commissie sturen.
Sinds de invoering van de emissiehandel zijn fraude en criminele activiteiten een groeiend probleem geworden.[2364] Door BTW-fraude waarbij BTW wordt afgetrokken door de koper, maar niet afgedragen door de verkoper hebben overheden (met name Frankrijk) forse financiële schade opgelopen. Cyberaanvallen op de digitale emissieregisters waarbij emissierechten van rekeningen verdwenen, hebben zelfs geleid tot het stilleggen van het EU ETS in januari 2011.[2365] Ook is geconstateerd dat nieuwe rekeninghouders rekeningen hebben geopend onder valse identiteit. Inmiddels is de registerverordening 2216/2004 (gewijzigd door Verordening 916/2007) met ingang van de 14 oktober 2010 aangepast om de phishing aanvallen en andere vormen van fraude te voorkomen en te bestrijden. [2366] De huidige registerverordening zal met het oog op de wijzigingen van richtlijn 2009/29 worden vervangen vanaf 1 januari 2012.[2367]
Vanaf 2013 start de derde handelsperiode voor CO2-emissiehandel, die loopt tot en met 2020. Op dit moment wordt gewerkt aan Europese regels voor toewijzing van emissierechten in deze handelsperiode. Een belangrijke stap daartoe is de nieuwe Richtlijn nr. 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden. In het kader van deze EU-regeling voor de handel in emissierechten wordt de hoeveelheid beschikbare emissierechten in deze handelsperiode gereduceerd. In het tot de lidstaten gerichte besluit 2010/634/EU van de Europese Commissie van 22 oktober 2010 tot aanpassing van de hoeveelheid emissierechten voor de hele Unie staat hoeveel emissierechten beschikbaar zijn voor 2013. Dit besluit is hoogstwaarschijnlijk aan wijzigingen onderhevig aangezien er in de tussentijd nieuwe lidstaten tot de EU kunnen toetreden, er nieuwe categorieën installaties onder de EU ETS kunnen komen te vallen of het totale CO2-reductiedoelstelling van 20% naar 30% wordt bijgesteld.
De manier waarop CO2-emissierechten in derde handelsperiode worden toegewezen wijzigt ingrijpend. In plaats van de nationale allocatieplannen (NAP) komen er Europese uitvoeringsmaatregelen, waarin wordt vastgelegd hoe de emissierechten over de bedrijfslocaties moeten worden verdeeld. Daarnaast zal een groter deel van de rechten via veilingen worden verkocht. In de huidige handelsperiode is nog geen 4% van het totaal in de EU uitgegeven rechten geveild. Naar verwachting zal in de aankomende handelsperiode zo’n 60% van de totale hoeveelheid beschikbare rechten niet gratis, maar via overheidsveilingen beschikbaar komen. Bovendien gaan meer bedrijven deelnemen aan emissiehandel, omdat het begrip ‘verbrandingsinstallatie’ anders wordt gedefinieerd, er meer activiteiten onder emissiehandel komen te vallen en de broeikasgassen PFK’s (perfluorkoolstoffen) en N2O (lachgas) ook onder emissiehandel komen te vallen. Verder zal de verdeling van een groot percentage van de beschikbare emissierechten op basis van zogenoemde benchmarks worden verdeeld. Een benchmarks is een standaard hoeveelheid emissierechten per ton product vastgesteld op basis van het gemiddelde van de 10% meest broeikasgasefficiënte installaties die worden gebruikt voor de vervaardiging een bepaald product. Voor zover het onmogelijk is een product-benchmark vast te stellen, wordt een warmte-benchmark worden toegepast en als ook dat niet kan zal een brandstof-benchmark gelden. Als geen van deze benchmarks kan worden toegepast, bestaat er een mogelijkheid om op grond van historische emissies (min een korting) rechten toe te wijzen. Behalve de benchmarks is de hoeveelheid rechten die elke installatie krijgt afhankelijk van een aantal factoren de productie van de installatie in het verleden en het risico van CO2-lekkage ofwel ‘carbon leakage’. Hiervan is sprake als bedrijven hun productie verplaatsen naar buiten de grenzen van de EU, waar zij niet onder het emissiehandelssysteem vallen en dus zonder kosten CO2 mogen uitstoten.
Op 5 november heeft de Ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel om de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten te wijzingen ter implementatie van richtlijn nr. 2009/29/EG. Begin 2011 gaat het wetsvoorstel ter goedkeuring naar de Tweede Kamer. Daarna moet er een ontwerpbesluit komen voor toewijzing van emissierechten aan alle bedrijven die in aanmerking komen voor gratis emissierechten. Dit ontwerpbesluit gaat vervolgens naar de Europese Commissie Vervolgens die alle 27 nationale toewijzingsbesluiten zal bekijken mogelijk aanpassen om de gewenste reductiedoelstellingen te kunnen halen. Het totaal aantal rechten moet immers binnen het EU-plafond blijven.
Asselt, H. van (2010). Emissions trading: the enthusiastic adoption of an ‘alien’ instrument? In: Jordan, A., Huitema, D., Asselt, H. van, Rayner, T. & Berkhout, F. (red.), Climate Change Policy in the European Union: Confronting the Dilemmas of Mitigation and Adaptation? (pp. 125-145). Cambridge: Cambridge University Press.
Boonekamp, P.G.M., Daniels, B.W., Dril, A.W.N. van, Kroon, P., Ybema, J.R., Wijngaart, R.A. van den (2003). Sectorale CO2-emissies tot 2010. Update Referentieraming ten behoeve van besluitvorming over Streefwaarden. ECN rapport ECN-C--03-095. RIVM rapport 773001024. Petten.
Commissie CO2 handel (2004). Handelen voor een beter milieu. Haalbaarheid van CO2 emissiehandel in Nederland. De Meern: KPMG Milieu.
EZ/VROM (2008). Nederlands nationaal toewijzingsplan broeikasgasemissierechten 2008-2012. Den Haag: Ministeri van Economische Zaken/Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Peeters, M.G.W.M., Asselt, H.D. van & Bregman, B.A. (2010). Klimaatwetgeving in Nederland. Stand van zaken anno 2010. STEM publicatie 2010/2.
VROM (2004). Allocatieplan CO2-emissierechten 2005 t/m 2007. Nederlands nationaal toewijzingsplan inzake de toewijzing van broeikasgasemissierechten aan bedrijven. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
[2319] De artikelnummers in deze paragraaf verwijzen naar de geconsolideerde versie van Richtlijn 2003/87.
[2320] Dit is gebeurd bij Besluit 2010/384/EU (PbEU L175, 10.7.2010). De absolute hoeveelheid emissierechten voor 2013 is daarbij vastgesteld op 1.926.876.368.
[2321] Een voorstel hiervoor is inmiddels ingediend, maar nog niet aangenomen. Zie http://ec.europa.eu/environment/climat/emission/auctioning_en.htm#1.
[2322] Overigens wordt nergens in de Richtlijn gedefinieerd wat precies bedoeld wordt met deze internationale overeenkomst.
[2323] ‘CER’ staat voor Certified Emission Reduction, en is de eenheid die gebruikt wordt voor emissierechten uitgegeven in het kader van het Clean Development Mechanism van het Kyoto Protocol. ‘ERU’ staat voor Emission Reduction Unit, en is de eenheid die gebruikt wordt voor emissierechten uitgegeven in het kader van het Joint Implementation mechanisme van het Kyoto Protocol.
[2324] COM(1998)353.
[2325] COM(1999)230.
[2326] COM(2000)87.
[2327] COM(2000)88.
[2328] COM(2001)580.
[2329] COM(2003)403.
[2330] ENDS Environment Daily, 20.4.2004.
[2331] Van Asselt (2010).
[2332] COM(2005)703.
[2333] COM(2006)676.
[2334] COM(2008)30.
[2335] Persbericht van de Commissie IP/04/861, 7.7.2004.
[2336] Stcrt. 2003, 47.
[2337] Bazelmans (2004), p. 220.
[2338] Stb. 2004, 511.
[2339] Peeters et al. (2010), p. 34.
[2340] Stb. 2004, 737, laatstelijk gewijzigd bji Stb. 2010, 60.
[2341] Stcrt. 2004, 250, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 20455.
[2342] Stb. 2010, 31.
[2343] Stcrt. 2010, 2547.
[2344] Stb. 2007, 90.
[2345] VROM (2004).
[2346] Boonekamp et al. (2003).
[2347] TK 2003-2004, 29 565, nr. 15.
[2348] VROM (2004), p. 3.
[2349] Nieuwsbrief Emissiehandel, nr. 13 (2 juli 2004). Zie http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbox/ecofys/default.asp?briefid=3611 (geraadpleegd 9.7.2010).
[2350] Persbericht van de Commissie IP/04/862, 7.7.2004.
[2351] Zie de kennisgeving in Stcrt. 2004, 205.
[2352] Zie de kennisgeving in Stcrt. 2006, 100.
[2353] Nieuwbrief Emissiehandel, nr. 43 (17 januari 2007). Zie http://ecofys.communicationmaster.nl/templates/nieuwsarchief/2007-01-17.html#titel1 (geraadpleegd op 9.7.2010).
[2354] Nieuwbrief Emissiehandel, nr. 45 (20 maart 2007). Zie http://ecofys.communicationmaster.nl/templates/nieuwsarchief/2007-03-20.html#titel2 (geraadpleegd op 9.7.2010).
[2355] Nieuwbrief Emissiehandel, nr. 52 (14 december 2007). Zie http://ecofys.communicationmaster.nl/templates/nieuwsarchief/2007-12-14.html (geraadpleegd op 9.7.2010).
[2356] Zie kennisgeving in Stcrt. 2008, 847.
[2357] Nieuwbrief Emissiehandel, nr. 67 (29 mei 2009). Zie http://ecofys.communicationmaster.nl/templates/nieuwsarchief/2009-05-29.html (geraadpleegd op 9.7.2010).
[2358] Zie kennisgeving in Stcrt. 2009, 11723.
[2359] EZ/VROM (2008), p. 11.
[2360] Het eindrapport van de Commissie CO2 handel is verkrijgbaar op de website van VROM: www.minvrom.nl/emissiehandel (geraadpleegd 26.1.2005).
[2361] Nieuwsbrief Emissiehandel, nr. 12 (16 juni 2004). Zie http://www.emailnieuwsbrieven.nl/sbox/ecofys/default.asp?briefid=3513 (geraadpleegd 26.1.2005).
[2362] Zie de brief van staatssecretaris Van Geel aan het bedrijfsleven, 22.7.2004, verkrijgbaar via http://www.minvrom.nl/emissiehandel (geraadpleegd 26.1.2005).
[2363] De evaluatie en daarop gebaseerde aanbevelingen zijn verkrijgbaar via http://www.minvrom.nl/emissiehandel (geraadpleegd 26.1.2005).
[2364] NEa (2010). Onderzoeksrapport: Frauderisico’s bij handel in emissierechten. NEa: Den Haag.
[2365] MEMO/11/34, MEMO/11/44 en IP/11/219
[2366] PB L 270 blz. 1-52.
[2367] Zie hierover de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel implementatie richtlijn 2009/29/EG. TK 2009-2010 32 454, nr. 3, §4 en §13.1.