2009/31/EG (PbEUL140, 5.6.2009) voorgesteld 23.1.2008 – COM(2008)18 | Richtlijn betreffende de geologische opslag van kooldioxide |
Rechtsgrondslag | Art. 175, lid 1 |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 25 juni 2009 |
Omzetting in nationale regelgeving | 25 juni 2011 |
De Richtlijn geeft een wettelijk kader voor de milieuveilige geologische opslag van CO2 om bij te dragen tot de bestrijding van klimaatverandering. Daarbij is het doel van milieuveilige geologische opslag de permanente insluiting van CO2 op een zodanige wijze dat negatieve effecten op en risico’s voor het milieu en de volksgezondheid worden voorkomen of zoveel mogelijk worden weggenomen (art. 1).
De Richtlijn is niet van toepassing op de geologische opslag met een geplande opslagcapaciteit van minder dan 100 kiloton voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of het beproeven van nieuwe producten en procedés. De Richtlijn staat geen opslag toe in de waterkolom en op locaties met een opslagcomplex dat gelegen is buiten de EU (art. 2).
Richtlijn 2009/31 zorgt er voor dat de afvang van CO2 onder de Richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging valt (zie § ???) en dat de afvang en het transport via pijpleidingen door de Richtlijn inzake de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten wordt gereguleerd. De Richtlijn geeft een regelgevend kader voor de afvang en opslag van CO2 (CCS) om bestaande wettelijke belemmeringen voor CCS weg te nemen. De Richtlijn geeft regels voor het uitgeven van exploratievergunningen[2395] en eisen voor het selecteren van opslaglocaties. Onder deze eisen valt ook het voorkomen van het weglekken van CO2 uit het opslagcomplex.
Lidstaten hebben het recht de gebieden te bepalen waarbinnen opslaglocaties kunnen worden geselecteerd (art. 4, lid 1). Lidstaten dienen er voor te zorgen dat opslaglocatie alleen worden geëxploiteerd als er een opslagvergunning is afgegeven (art. 6, lid 1), en dat exploratie alleen plaatsvindt indien er een exploratievergunning is afgegeven (art. 5, lid 1). De lidstaten dienen de Commissie op de hoogte te stellen van ontwerp-opslagvergunningen, en de Commissie kan besluiten om al dan niet een niet-bindend advies te geven over deze vergunningen (art. 10).
De Richtlijn bevat tevens verplichtingen met betrekking tot de exploitatie, sluiting en de periode na de sluiting. Zo dienen de lidstaten er voor te zorgen dat de stroom stoffen die resulteert uit het afvangen van CO2 ook daadwerkelijk voornamelijk uit CO2 bestaat (art. 12). Tevens dienen lidstaten er voor te zorgen dat de exploitant zorgt voor de monitoring van de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex en het omliggende milieu (art. 13) en dat de exploitant ten minste om het jaar verslag doet (art. 14).
Lidstaten zorgen er voor dat routinematige en niet-routinematige inspecties plaatsvinden om na te gaan dat de Richtlijn wordt nageleefd (art. 15). Routinematige inspecties dienen ten minste één keer per jaar plaats te vinden, en bestaan uit het onderzoeken van relevante injectie- en monitoringsfaciliteiten onderzocht, alsmede alle relevante gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid. Niet-routinematige inspecties dienen plaats te vinden wanneer er sprake is van lekkages of andere significante onregelmatigheden, er uit verslagen blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet voldoende worden nageleefd, er ernstige klachten over het milieu of de volksgezondheid zijn, en in andere gevallen wanneer een bevoegde autoriteit inspecties passend acht.
In het geval van lekkages of significante onregelmatigheden passende corrigerende maatregelen worden genomen (art. 16) en dienen emissierechten (in het kader van het emissiehandelsysteem) ingeleverd te worden) aangezien de emissies tot aan een lekkage als niet-uitgestoten werden beschouwd. Daarnaast zullen de bepalingen van de Richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid (zie § ???) gelden in het geval van lekkage.
Nadat een opslaglocatie is afgesloten worden verschillende verplichtingen op grond van de Richtlijn overgedragen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat (art. 18). Dit gebeurt wanneer: 1) alle beschikbare gegevens aantonen dat het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft; 2) een minimumperiode (van tenminste 20 jaar) is verstreken; 3) de financiële verplichtingen van de exploitant (ten minste de geraamde monitoringkosten voor een periode van 30 jaar; art. 20) zijn nagekomen; en 4) de locatie met zorg is afgesloten en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.
De Richtlijn bepaalt dat exploitanten moeten kunnen waarborgen dat aan alle verplichtingen kan worden voldaan middels een financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening (art. 19). Daarnaast bevat de Richtlijn algemene bepalingen inzake het aanwijzen van een bevoegde autoriteit (art. 23); grensoverschrijdende samenwerking (art. 24); informatie aan het publiek (art. 26); rapportering door de lidstaten (art. 27); en sancties (art. 28). Bijlage I geeft criteria voor de karakterisering en beoordeling van potentiële opslagcomplexen en omliggende gebieden. Bijlage II bevat criteria voor de monitoring, zowel voor als na de afsluiting.
De gewijzigde Richtlijn voor de handel in emissierechten (zie § ???) vormt een belangrijk onderdeel in de stimulering van CCS. Zo wordt CO2 die is afgevangen en milieuveilig is opgeslagen als niet uitgestoten beschouwd. Vanaf 2013 wordt CCS opgenomen in het systeem. Er zijn maximaal 300 miljoen emissierechten beschikbaar om het opzetten en exploiteren te helpen stimuleren van maximaal 12 commerciële CCS demonstratieprojecten (maar ook voor demonstratieprojecten inzake hernieuwbare energietechnologieën binnen de EU).
In januari bracht de Commissie het klimaat- en energiepakket uit (zie § ???). In dit pakket zat onder meer een voorstel voor een regelgevend kader voor CCS.[2396] Het doel van het voorstel was om er voor te zorgen dat CCS een mogelijke mitigatiemaatregel werd binnen de EU, maar dat CCS geen gevaar voor het milieu of de volksgezondheid op zou leveren. Het voorstel werd op 17 december 2008 aangenomen door het Parlement in diens eertse lezing. Het meest controversiele punt in de totstandkoming was het bekostigen van demonstratieprojecten voor CCS. Uiteindelijk werd besloten dat dit zou gebeuren door middel van inkomsten van het veilen van 300 miljoen emissierechten onder de ETS (zie §???).[2397]
De Richtlijn dient omgezet te worden uiterlijk op 25 juni 2011. Daartoe wordt de Mijnbouwwet gewijzigd omdat deze wet de opslag van stoffen al reguleert. De vergunningverplichtingen voor opslag van CO2 past grotendeels binnen het bestaande kader van deze wet. De richtlijn verplicht vooral tot aanvulling van de bestaande verplichtingen ten aanzien van bijvoorbeeld transport van CO2 en de permanente opslag ervan. Verder moet de opsporing van potentiële CO2-opslaglocaties geregeld worden, want de Mijnbouwwet ziet nu alleen op de opsporing van delfstoffen en aardwarmte.[2398] Het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn is nog in voorbereiding.[2399] De Eerste Kamercommissie voor Economische Zaken heeft op 15 maart 2011 het voorlopig verslag uitgebracht en wacht op de memorie van antwoord.
In februari 2011 besloot de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het initiatief om CO2 op te slaan in lege gasvelden de provincie Groningen af te blazen. Eerder gebeurde dat bij het CCS-project van Shell in de gemeente Barendrecht.[2400] Onder burgers, maatschappelijke organisaties en lokale en regionale bestuurders bestonden grote twijfels over de CO2-opslag in de Groningse bodem. De minister concludeerde in een brief aan de Tweede Kamer dat het treffen van maatregelen die onnodig onrust veroorzaken bij bewoners ongewenst waren als er reële alternatievenmogelijk zijn.[2401] Het alternatief is gevonden in de opslag CO2 bodem van de Noordzee, het zogenoemde ROAD-project.[2402] Daarnaast zijn er projectvoorstellen voor onderzeese CO2-opslag ingediend in het kader van het EU-subsidiëringsprogramma voor grootschalige CCS-demonstratieprojecten (NER300).[2403]
[2395] Exploratie wordt gedefinieerd als “de beoordeling van potentiële opslagcomplexen voor de geologische opslag van CO2 aan de hand van activiteiten die in de ondergrond binnendringen, zoals boorwerkzaamheden om geologische informatie te verkrijgen over geologische lagen in het potentiële opslagcomplex en, zo nodig, het verrichten van injectieproeven om de opslaglocatie te karakteriseren” (art. 3, lid 8).
[2396] COM(2008)18.
[2397] ENDS Europe Daily, 19.12.2008.
[2398] TK 2010-2011, 32 343, nr. 3 (Memorie van Toelichting).
[2399] EK 2010-2011, 32 343, nr. A Herdruk.
[2400] TK 2010-2011, 28 982 nr. 113.
[2401] TK 2010-2011, 31 510, nr. 44.
[2402] TK 2009-2010, 31 209, nr. 118
[2403] Zie voor ook het archief van nieuwsberichten op de website van de Energieraad: http://www.energieraad.nl/. Deze nieuwsservice stopt per 1 april 2011.