De productie en het gebruik van energie zijn een belangrijke bron van milieuproblemen. De verbranding van fossiele brandstoffen draagt bij aan de uitstoot van broeikasgassen, verzuring en het ontstaan van afvalstoffen. De productie van kernenergie is riskant en heeft geresulteerd in een tot nu toe onbeheersbare toename van afvalstoffen. Als gevolg hiervan is er in het algemeen overeenstemming dat er behoefte is om de gevolgen van het energiegebruik te beperken door de vraag te beheersen, de efficiëntie te verbeteren en door het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen te vergroten. Daarnaast vereisen effectieve reacties op de mogelijke gevolgen van de energiesector voor het milieu, waaronder klimaatverandering en verzuring, een gecoördineerde aanpak dwars door verschillende beleidssectoren heen.
De totale energievoorziening in de EU is tussen 1985 en 1995 met 11 procent toegenomen, hoewel de primaire energievoorziening per eenheid BBP lichtelijk is gedaald. De afname van de primaire energievoorziening is het gevolg van verbeteringen in de industriële en huishoudelijke sectoren. De groei in het uiteindelijke energiegebruik kan het meest gezien worden in de vervoerssector, waar de vraag naar energie met bijna 40 procent toenam tussen 1985 en 1996.[34] De emissies van de energiesector zijn niet in diezelfde mate toegenomen doordat er een aanzienlijke verschuiving heeft plaatsgevonden van het gebruik van vaste brandstoffen (olie en kolen) naar aardgas en kernenergie. In 1995 was het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de EU tussen de 5 en 6 procent, een situatie vergelijkbaar met 1985.
Het onderwerp van energie en het milieu heeft sinds de jaren ’80 op de Europese politieke agenda gestaan. In een Resolutie uit 1986 stelde de Raad als doel van de Gemeenschap om de efficiëntie van de finale vraag naar energie met tenminste 20 procent te verbeteren tegen het jaar 1995.[35] Het integreren van milieuoverwegingen in het energiebeleid was het onderwerp van twee achtereenvolgende documenten van de Commissie. Het eerste document ‘Energie en het milieu’ was volgens de Commissie de eerste keer dat het Gemeenschappelijk energiebeleid milieuproblemen op een globaal niveau aanpakte.[36] Het document beschreef de effecten van energieproductie/consumptie op de uitstoot van SOx, NOx, en CO2, en onderzocht manieren waarop deze effecten zouden kunnen worden verminderd. De grootste nadruk werd gelegd op de behoefte aan meer energie-efficiëntie. Een tweede document, een ‘Strategie van de Gemeenschap voor de beperking van de emissie van kooldioxide en de verhoging van het energierendement’, stelde een belasting op kooldioxide-emissies en op het gebruik van energie op EG-niveau voor. Daarnaast werden een reeks wettelijke en onderzoeksmaatregelen om de energieconsumptie te verminderen en aanvullende nationale programma’s ter vermindering van CO2-uitstoot voorgesteld.[37] Het document werd gezamenlijk uitgebracht door de Commissarissen verantwoordelijk voor energie en milieu in oktober 1991.
Daarnaast werden wat meer algemene initiatieven ontwikkeld, zoals een algemeen kader voor het energiebeleid, een ‘Communautaire strategie voor de bevordering van warmtekrachtkoppeling’[38], en een ‘Communautaire strategie voor hernieuwbare energie’[39]. Laatstgenoemde was bedoeld om de marktpenetratie van hernieuwbare energie aan te moedigen, met als doel verdubbeling van het gebruik tussen 1996 en 2010 (6 procent van de totale consumptie in 1996, 12 procent in 2010). Het doel werd vervolgens goedgekeurd in een Resolutie van de Raad.[40] Een strategie voor energie-efficiëntie werd aangenomen door de Commissie in 1998.[41] Een aantal andere beleidsinitiatieven op het gebied van energie, die specifiek verbonden zijn aan het Kyoto Protocol bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, is ook gestart door de Commissie (zie hoofdstuk 14).
Ondanks deze verscheidene initiatieven is de reikwijdte van het EU-energiebeleid tot nu toe beperkt gebleven. De belangrijkste milieumaatregelen zijn het SAVE energie-efficiëntie programma (zie § 14.5), het ALTENER programma ter bevordering van hernieuwbare energie (zie § 14.4), wetgeving over energie-etikettering van huishoudelijke apparaten (zie § 14.6), energienormen voor cv-ketels, en koel-en vrieskasten (zie § 14.7), en informatie over zuinig brandstofverbruik en CO2-uitstoot van personenauto’s (Richtlijn 1999/94, zie § 14.8). Deze gebieden weerspiegelen de beperkte bevoegdheden van de Gemeenschap over energiezaken, en het unanimiteitsvereiste in de Raad als er wordt gestemd over "maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en op de algemene structuur van zijn energievoorziening" (artikel 175 EG-Verdrag). Niettemin is de Gemeenschapswetgeving recentelijk verder uitgebreid door de energieprestaties van gebouwen aan te pakken (zie § 14.10). Daarnaast heeft een toenemende aandacht voor het beleid met betrekking tot klimaatverandering de ambities van het Gemeenschappelijk energiebeleid verder vergroot, zoals hieronder wordt beschreven.
In oktober 1998 werd de Mededeling van de Commissie ‘Een krachtiger integratie van het milieu binnen het energiebeleid van de Gemeenschap’ goedgekeurd.[42] Dit document onderzoekt drie prioriteitsgebieden voor het boeken van vooruitgang: energie-efficiëntie, het verhogen van het marktaandeel van schone energie en het beperken van de milieugevolgen van energiebronnen. Deze Mededeling werd gevolgd door een strategie voor integratie van de Raad, gepresenteerd bij de top in Helsinki in december 1999. De strategie wijst een aantal prioriteitsgebieden voor verdere actie aan, waaronder de ontwikkeling van een interne markt voor energie, het bevorderen van een toename in het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, het verhogen van de energie-efficiëntie, en de internalisering van externe kosten. Drie perioden voor actie worden beschreven: als eerste de implementatie van bestaande programma’s en acties; als tweede de versterking van de strategie door het bepalen van de acties tot aan 2002; en als derde het inspelen op behoeften van na 2002. De eerste fase moet worden bereikt door onder andere implementatie van de interne markt Richtlijnen voor elektriciteit en gas, en door het ontwikkelen van acties binnen SAVE, ALTENER, SYNERGY (samenwerking met niet-EU-landen), en SURE (kernenergiesector). De Commissie wordt ook gevraagd om verdere acties voor te stellen op het gebied van energie-efficiëntie, en om mogelijke praktische gevolgen van het opzetten van een verhandelbare emissies-regime in het kader van een interne markt voor energie te analyseren. Een bijlage van de strategie bevat een voorlopige set indicatoren ter ondersteuning van de integratie van milieuoverwegingen in het energiebeleid. Deze indicatoren werden vervolgens goedgekeurd door de Raad.
In november 2000 publiceerde de Commissie ook het langverwachte Groenboek[43] over de continuïteit van de energievoorziening. Hoewel het sterk gericht is op continue energievoorziening – de oorspronkelijke drijfveer van het gemeenschappelijk energiebeleid -, geeft het ook enige aandacht aan het milieu, de derde kerndoelstelling van het beleid. De urgentie van klimaatverandering als een factor in het energiebeleid wordt onderstreept. Tevens wordt de behoefte gesignaleerd om het beleid op de lange termijn weer in evenwicht te brengen in de richting van meer op de vraag gericht beleid, en wordt de nadruk gelegd op de voordelen van energiebelasting.
In 2001 werd de eerste fase van het Europees Programma inzake Klimaatverandering afgerond (EPK, zie § 14.1). Dit programma was de drijvende kracht achter een reeks bredere maatregelen op energiegebied, waaronder bijvoorbeeld het opstellen van energienormen, ambitieuzere plannen voor hernieuwbare energie, twee Richtlijnen om het gebruik van biobrandstoffen in het vervoer te bevorderen, en een systeem voor de handel in broeikasgasuitstootrechten (zie § 14.1). Andere voorstellen over warmtekrachtkoppeling en over energie-efficiënte overheidsopdrachten waren ook gepland. Dankzij een compromis tussen de Raad en het Parlement werd de Richtlijn over hernieuwbare energie overeengekomen, en trad deze ongebruikelijk snel in werking, in oktober 2001 (zie § 14.9). Deze Richtlijn bevat de indicatieve doelstelling dat hernieuwbare energiebronnen voor 22,1% van de elektriciteitsvoorziening zouden moeten zorgen in de EU tegen 2010. Deze doelstelling werd bevestigd door de staatshoofden en regeringsleiders in de conclusies van de top in Göteborg in juni 2001.
Relatief gezien werd er behoorlijk wat aandacht geschonken aan energie in de overeenkomst van de Raad over milieugerelateerde structurele indicatoren van december 2001, voorafgaand aan de top in Laken (zie § 3.11). Naast de uitstoot van broeikasgassen, bevatten de zeven overeengekomen indicatoren onder andere het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de opwekking van elektriciteit, en de energieconsumptie per eenheid BBP. Nadien ging de aandacht echter weer voornamelijk uit naar de uitstoot van broeikasgassen.