3.6 Visserij

De belangrijkste onderwerpen in het kort

De visserijsector wordt in toenemende mate gezien als één van de meest belangrijke factoren die van invloed is op de toestand van het mariene milieu. Een verslag uit 2000 over de toestand van het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan plaatste visserij bovenaan de lijst van factoren die de regio beïnvloeden, tezamen met emissies van gevaarlijke stoffen. Overexploitatie door zeevisserij heeft geleid tot een wijd verspreide afname van visbestanden tot niveaus die hun herstel op de lange termijn bedreigen. Er is ook een toenemende bezorgdheid over de bijvangst van vissen waar niet op gevist wordt, zoals haaien, manta’s en roggen, zeeschildpadden, bentische soorten en zeezoogdieren. Daarnaast is er een groeiende bezorgdheid over de schade aan habitats die veroorzaakt wordt door allerlei vistuig, in het bijzonder door het gebruik van dreggenetten en boomkorren.

Een geheel andere, maar niettemin zeer belangrijke kwestie betreft intensieve aquacultuurproductie, die gepaard gaat met bijvoorbeeld emissies van verontreinigende stoffen, de introductie van uitheemse of genetisch gemodificeerde vissoorten, nieuwe ziekteverwekkende organismen, geluidshinder, en wateronttrekking.

Een selectie van initiatieven op het gebied van integratie

Het belangrijkste kader voor het beheer in de visserijsector wordt gegeven door het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), waarin de meeste aspecten van de productieketen van vis worden behandeld, van de vangst/visteelt tot aan de aanvoer, de verwerking en het op de markt brengen. Het behoud- en beheersbeleid is weergegeven in Verordening 3760/92 en daaropvolgende Verordeningen. Verordening 3760/92 heeft als doel de bevordering van rationeel en verantwoordelijk gebruik van de visbestanden van de EU, rekening houdend met het mariene ecosysteem. Hiernavolgende Verordeningen hebben jaarlijks en meerjarig toegestane vangsten ingevoerd voor een aantal vissoorten waarop commercieel gevist wordt in met name het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Tevens zijn technische maatregelen ingevoerd, om te controleren waar wat voor soort visserij plaatsvindt. De Gemeenschap is ook actief in een toenemend aantal regionale visserij-organisaties, en heeft een aantal belangrijke verdragen gesloten met derde landen, waardoor aanzienlijke extra visserijmogelijkheden worden gegeven aan vissers werkend vanuit de EU.

Het structurele visserijbeleid van de EU is bedoeld om de sector te helpen bij het aanpassen aan de uitdagingen waarvoor ze staan, met name aan de eis van verkleining van de capaciteit van de vissersvloot, welke is neergelegd in een serie van meerjarige oriëntatieprogramma’s. Implementatie van deze en andere structurele maatregelen wordt gesteund door een Structuurfonds voor de visserij, het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). Het FIOV heeft bijgedragen aan projecten voor behoud van de visstand, maar het is ook gebruikt om investeringen in nieuwe en meer intensieve vismethoden te steunen en om de aquacultuurproductie te vergroten.[58] Hervormingen van de Structuurfondsen in 1999 voerden nieuwe milieuwaarborgen in. Er is echter nog geen expliciete maatregel onder het FIOV ter ondersteuning van milieuvriendelijke projecten.

Verschillende onderdelen van de EU-milieuwetgeving zijn relevant voor de visserijsector, met name de Vogel- en Habitatrichtlijnen (zie § 9.3 en 9.4). Nieuwe ontwikkelingen in de aquacultuur, die waarschijnlijk gevolgen voor het milieu hebben, zullen ook beoordeeld worden in overeenstemming met de Richtlijn betreffende milieueffectbeoordeling (zie § 11.3). Er zijn enkele gevallen dat milieuaspecten binnen het GVB een rol spelen. Voorbeelden zijn beperkingen van het gebruik van ringzegens bij walvisachtigen, een verbod op drijfnetten (zie § 9.8), en beperkingen op het gebruik van boomkorren bij zeegrasbedden in de Middellandse Zee. In 1999 werd een ‘technische’ maatregel ingevoerd welke een stop op de visserij op zandalen voor de Britse kust inhield, ter bescherming van belangrijke zeevogelkolonies. Een meer systematische invoering van milieuoverwegingen binnen het ontwerp en de implementatie van het GVB, door bijvoorbeeld een strategische beoordeling van nieuwe visvangstgebieden of –activiteiten, heeft tot nu toe niet plaatsgevonden. Een nieuwe Richtlijn voor een Strategische milieu-effectrapportage (zie § 11.3A) is wel van toepassing op plannen en programma’s van de EU, maar deze zijn zelden ontwikkeld in de visserijsector.

Ministers en Commissarissen voor Visserij en het Milieu waren aanwezig op de tussentijdse ministersvergadering over de integratie van visserij en milieu in maart 1997. Deze vergadering leidde tot het aannemen van een verklaring met conclusies. De implementatie hiervan is onderwerp geweest van twee verslagen van de Commissie.[59]

In juni 1999 keurde de Commissie de MededelingVisserijbeheer en natuurbehoud in het mariene milieu’ goed.[60] Hierin worden belangrijke maatregelen ter ondersteuning van een betere milieu-integratie beschreven. Er wordt onderkend dat het visserijbeheer zich meer moet richten op een geïntegreerde aanpak, waarbij rekening gehouden wordt met wisselwerkingen binnen mariene ecosystemen, in plaats van een analyse van de toestand van het vangstgebied per visbestand. De Mededeling bevat een aantal doelstellingen en acties die de Commissie zal moeten nastreven, waaronder vermindering van de visserijdruk, betere implementatie van EU-wetgeving op het gebied van natuurbehoud, het verbeteren van opleidingen, voorlichting en overleg, en vergroting van de bijdrage van wetenschappelijk onderzoek.

Veranderingen in het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur werden ingevoerd in 1999. Naast de 17 zetels voor vertegenwoordigers van de sector werd één zetel gereserveerd voor een milieuvertegenwoordiger. De hervorming was onderdeel van een actieplan uit 1999 ten behoeve van een nauwere dialoog tussen de visserij-industrie en andere groepen die getroffen werden door het GVB, voorgesteld door de toenmalige Commissaris voor Visserij, Emma Bonino. Er is tevens een reeks informele regionale ontmoetingen geweest om de betrokkenheid van vissers en wetenschappers bij discussies over het visserijbeheer te vergroten. Milieubelangen worden hier echter gewoonlijk niet vertegenwoordigd.

In maart 2001 keurde de Commissie het Groenboek over de Toekomst van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid goed.[61] Het Groenboek was kritisch over de bestaande afspraken, en beschreef op redelijk ondubbelzinnige wijze de armzalige toestand van de EU visserij, en de daaruitvolgende behoefte aan hervorming van het GVB. Het geeft een reeks opties aan om het beleid effectiever te maken. Hieronder vallen het aanwijzen van duidelijkere doelstellingen, meer coördinatie en coherentie tussen de verschillende aspecten van het GVB, en een uitgebreider gebruik van benaderingen gericht op meerdere dier- en plantensoorten en op ecosystemen. Belangrijk was dat het een systeem voorstelde om de vooruitgang van het GVB richting duurzame ontwikkeling te meten en om de prestaties te evalueren in vergelijking met andere doelstellingen. Het Groenboek werd in mei 2002 gevolgd door hervormingsgerichte wetgevingsvoorstellen. Deze worden bediscussieerd door de Raad, met als doel het opstellen van een nieuwe Verordening over het GVB tegen het einde van 2002.

Het GVB Groenboek werd tegelijk met verscheidene initiatieven op milieugebied ontwikkeld. Het zesde Milieuactieprogramma (zie § 2.2) roept op tot de bevordering van een hogere mate van integratie van milieuoverwegingen in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, met het oog op de mogelijkheid van de herziening in 2002. Er is ook een biodiversiteitsactieplan voor de visserij uit maart 2001, één van de vier vereiste plannen onder de strategie inzake biodiversiteit van de Gemeenschappen.[62]

Verschillende ontwikkelingen hebben ook plaatsgevonden in het kader van het Cardiff integratieproces (zie § 3.11). Een gedetailleerde Mededeling van de Commissie, ‘Elementen van een strategie ter integratie van milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid’, werd aangenomen in maart 2001.[63] Deze werd in april 2001 gevolgd door een reeks conclusies van de Raad voor Visserij en een bijlage over de integratie van milieubelangen en duurzame ontwikkeling in het GVB. De bijlage wordt gezien als een tweede stap in het proces van het ontwikkelen van een strategie voor milieu-integratie. Het bouwt voort op een verslag genaamd ‘De integratie van milieueisen en duurzame ontwikkeling in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid’, dat werd gepresenteerd aan de Europese Raad in Santa Maria da Feira in juni 2000. Dit verslag gaf het juridische basiskader voor het GVB en het milieu. De Raad nodigde de Commissie in april 2001 uit om met concrete voorstellen te komen over milieu-integratie in het kader van de hervorming van het GVB in 2002.

Druk om het GVB nog milieuvriendelijker te maken als onderdeel van de hervormingen van 2002 is ook gekomen vanuit de door de Commissie voorgestelde strategie voor duurzame ontwikkeling voor de EU van mei 2001.[64] Hierin staat de volgende doelstelling: "Bij de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid in 2002 moeten contraproductieve subsidies, waarmee overbevissing in de hand wordt gewerkt, worden afgeschaft en moeten omvang en activiteiten van de EU-visserijvloot worden ingekrompen tot een met wereldwijde duurzaamheid verenigbaar niveau, met de nodige aandacht voor de hieruit voortvloeiende sociale problemen". Bij de ontmoeting van staatshoofden en regeringsleiders in Göteborg in juni 2001 werd ook gevraagd om bij de herziening van het GVB in 2002 de algehele visserijdruk aan te pakken door de omvang van de visserij-activiteit in de EU aan te passen aan het niveau van de beschikbare bronnen, rekening houdend met de sociale gevolgen en de noodzakelijkheid om overbevissing te voorkomen.

In februari 2002 beschreef de Commissie de externe aspecten van de strategie voor duurzame ontwikkeling in ‘Naar een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling’.[65] Hierin werd de volgende suggestie gedaan: "De Europese Unie moet een strategie voor de verre zeevisserij ontwikkelen. Doel is tot een duurzame visserij buiten de wateren van de Gemeenschap bij te dragen via wereldwijde en bilaterale partnerschappen op nationaal en/of regionaal vlak." Tevens werd bepaald dat in het kader van de hervorming van het GVB in 2002 zou worden voorgesteld om "het beheer van visbestanden op lange termijn te plannen, overbevissing bevorderende subsidies af te schaffen en de omvang en de activiteiten van de vissersvloten in de Europese Unie tot een duurzaam niveau te reduceren".

Op uitnodiging van de Raad in de conclusies van april 2001 werd een actieplan om milieubeschermingseisen te integreren in het GVB door de Commissie in mei 2002 voorgelegd aan de Raad.[66] Hierin wordt een aantal grondbeginselen opgesomd. Tevens worden maatregelen gegeven om te zorgen voor milieu-integratie in de sector, waaronder de opstelling van langlopende beheersplannen voor de belangrijkste en de meest kwetsbare visbestanden, de afbakening van gebieden waar helemaal niet mag worden gevist (‘no take zones’), de vaststelling van richtsnoeren voor de ‘beste visserijpraktijken’, maatregelen om vangstmethoden aan te moedigen die de integratie van de milieudimensie extra waarde geven, en de integratie van milieubeschermingseisen in de aquacultuursector. Het actieplan wordt behandeld in de Raad.

Referenties

Coffey, C. (1999). Sustainable Development and the EC Fisheries Sector: an introduction to the issues. IEEP, Londen.

Coffey, C. en Baldock, D. (1998). European Funding for Fisheries Development: an environmental appraisal. IEEP, Londen.



[58] Coffey en Baldock (1998).

[59] COM(98)326 en COM(99)270.

[60] COM(1999)363.

[61] COM(2001)135.

[62] COM(98)42.

[63] COM(2001)143.

[64] COM(2001)264.

[65] COM(2002)82.

[66] COM(2002)186.