Deze paragraaf behandelt de activiteiten van het DG Economische en Financiële Zaken van de Commissie en de ECOFIN-Raad, welke belangrijke implicaties hebben voor het milieu en voor duurzame ontwikkeling. De integratie van milieubeleid en economisch beleid staat centraal bij duurzame ontwikkeling, waarin erkend wordt dat de huidige economische ontwikkeling binnen perken moet blijven ten behoeve van toekomstige generaties. Ondoordacht economisch beleid kan leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu op de lange termijn.
De belangrijkste taken van de Gemeenschap op dit gebied zijn gebaseerd op Titel VII van het EG-Verdrag,‘Economisch en monetair beleid’. Artikel 98 bepaalt dat de lidstaten hun economisch beleid voeren "teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 2". Onder deze doelstellingen van artikel 2 valt ook duurzame ontwikkeling. Dit moet worden bereikt door middel van ‘globale richtsnoeren voor het economisch beleid’, die door de ECOFIN-Raad worden overeengekomen. De aanbevolen globale richtsnoeren vormen de kern van het economische beleidscoördinatieproces en leveren het kader voor de vaststelling van de algemene beleidsdoelstellingen en -krachtlijnen van de lidstaten en de Gemeenschap. Daarnaast volgt en beoordeelt de Commissie de economieën van de lidstaten om de naleving van de richtsnoeren te waarborgen. In die zin vormen de richtsnoeren een potentieel belangrijke drijfkracht van de Gemeenschap voor de integratie van het milieu in het economisch beleid van de lidstaten. De richtsnoeren worden regelmatig bijgewerkt door ECOFIN en door de groep van twaalf lidstaten die de eenheidsmunt hebben ingevoerd.
De globale richtsnoeren voor 2000 bevatten korte aanbevelingen voor lidstaten ter bevordering van duurzame ontwikkeling. De richtsnoeren van 2001 gingen verder, nadat op de top in Stockholm was opgeroepen tot de bevordering van de integratie van duurzame ontwikkeling in de globale richtsnoeren. Deze richtsnoeren roepen dan ook redelijk gedetailleerd op tot een intensiever gebruik van op de marktwerking gebaseerde mechanismen om het milieu te integreren met het economisch beleid. Hieronder valt de oprichting van een ‘adequaat kader’ voor de belastingheffing op energie.
Het vijfde Milieuactieprogramma van 1992 ging in op de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een bredere reeks beleidsinstrumenten om milieuproblemen aan te pakken. Economisch beleid was één van die beleidsinstrumenten. Onder de paragraaf ‘De economische benadering: de juiste prijs’ werden een aantal maatregelen genoemd om een uit ecologisch oogpunt meer verantwoorde prijsstelling te verkrijgen, waaronder: de economische evaluatie van de natuurlijke en milieurijkdommen van de lidstaten; de ontwikkeling van indicatoren voor hernieuwbare hulpbronnen; uitbreiding en aanpassing van de economische statistiek; ontwikkeling van methodologieën en richtsnoeren voor een kosten/baten-analyse; en herziening van boekhoudkundige richtsnoeren. Andere gebieden voor het verrichten van verdere activiteiten die het programma noemt zijn jaarverslagen en rekeningen, heffingen, fiscale prikkels, nationale steunmaatregelen, maatregelen op het gebied van milieu-audit, en milieu-aansprakelijkheid.
Het gebruik van economische instrumenten bij de aanpak van milieuproblemen op Europees niveau kwam tegelijk onder de aandacht met de toegenomen bezorgdheid over de opwarming van de aarde aan het begin van de jaren ’90. De conclusies van een gezamenlijke zitting van de Raad voor Milieu en voor Energie in 1990 merkten op dat zulke instrumenten een nuttige rol kunnen spelen in de energiesector door het beperken van de uitstoot van CO2. Eerste voorstellen voor een belasting op kooldioxide-emissies en op het gebruik van energie werden bekendgemaakt in juni 1992 (zie hoofdstuk 12). Er was echter behoorlijke weerstand tegen deze voorstellen, waardoor ze geen doorgang vonden. Een ander voorstel voor het oprichten van een EU-kader voor de belasting van energieproducten werd gedaan begin 1997.
Een aantal andere stukken wetgeving over de harmonisatie van belastingstelsels van lidstaten is aangenomen. De Richtlijnen over minerale oliën (92/81/EEG en 92/82/EEG) geven een geharmoniseerd stelsel, en stellen minimumtarieven voor accijnzen in voor een reeks minerale oliën. Een ‘eurovignet’ Richtlijn behandelt andere belastingen op zware vrachtvoertuigen, zoals belastingen op voertuigen, tolgelden, en belastingen op weggebruik (1999/62/EG).
In 1997 publiceerde de Commissie een Mededeling ‘Naar belastingcoördinatie in de Europese Unie’.[80] De Mededeling stelde een reeks maatregelen voor. Deze waren onder meer gericht op indirecte belastingen, zoals de belasting op energieproducten. De voorstellen werden besproken door de ECOFIN-Raad, en de Commissie werd gevraagd om de voorstellen nader te omschrijven. Dit eindigde in een Mededeling van de Commissie ‘Een pakket om schadelijke belastingconcurrentie in de Europese Unie te bestrijden’.[81] Er is nog steeds geen overeenkomst in ECOFIN over de hierin beschreven maatregelen. Het voorstel om de belasting op energieproducten te harmoniseren is uit dit beleidspakket gehaald door een reeks van initiatieven van voorzitters en door compromissen, maar is nog steeds niet goedgekeurd. Een aparte maatregel voor de harmonisatie van de belasting op voor wegvervoer gebruikte diesel werd voorgesteld in 2002 in de nasleep van de protesten tegen de brandstofprijzen in het najaar van 2000. Ook deze maatregel werd echter niet aangenomen. Een Mededeling uit 2002 over de belasting van personenauto’s stelde voor om te werken richting een geharmoniseerde belastingstructuur, maar stelde niet direct nieuwe wetgeving over dit onderwerp voor.[82]
Vanwege de eis dat in de Raad met eenparigheid van stemmen over fiscale milieumaatregelen besloten moet worden (artikel 175 EG-Verdrag), zijn de meeste activiteiten beperkt tot algemene richtsnoeren met betrekking tot het beleid. Zo bracht de Commissie in 1997 richtsnoeren voor het gebruik van milieubelastingen en –heffingen uit, bedoeld ter ondersteuning van deze instrumenten.[83] In juli 1998 bracht de Commissie een Witboek over het heffen van belasting op het gebruik van vervoer uit, genaamd ‘Een eerlijke vergoeding voor het infrastructuurgebruik: een gefaseerde aanpak van een gemeenschappelijk kader voor het in rekening brengen van het gebruik van vervoersinfrastructuur in de EU’. Een centrale aanbeveling was dat de prijs die de weggebruikers zouden moeten betalen zowel de marginale sociale kosten van het bouwen en onderhouden van de infrastructuur als de ‘externe kosten’ van het weggebruik zou moeten weergeven. De bedoeling was om hiermee vervuiling, congestie en ongevallen te verminderen door de kosten hiervan in de prijs die de bestuurder betaalt voor het gebruiken van de infrastructuur voor vervoer op te nemen. Het Witboek onderkende ook expliciet de wereldwijde dimensie van luchtvervuiling, en legde de nadruk op het opnemen van de kosten van klimaatverandering in de marginale kosten.
De behoefte om er voor te zorgen dat ‘groene’ belastinghervormingen fiscaal neutraal blijven vond zijn weerslag in de werkgelegenheidsstrategie van de EU. Lidstaten worden aangemoedigd om een doel te stellen om de belastingdruk op salariskosten en niet-salariskosten te verminderen, met name voor de lageropgeleiden. Daarnaast wordt bepaald dat op EU-niveau verdere activiteiten wenselijk zijn ter invoering van energiebelastingen, en dat de wenselijkheid van belastingen op vervuilende emissies zou moeten worden onderzocht. Tevens moedigt de strategie lidstaten aan om de mogelijkheden van het creëren van werk in de milieudienstensector te gebruiken.
Als onderdeel van het Cardiff integratieproces (zie § 3.11) nam de Commissie de Mededeling ‘Onze behoeften en verantwoordelijkheden op elkaar afstemmen - milieu aangelegenheden integreren in de economische politiek’ aan.[84] De ECOFIN-Raad bracht vervolgens in november 2000 zijn eerste verslag over milieu-integratie uit. Daarna was er weinig vooruitgang, maar zijn er wel ontwikkelingen geweest onder het zogeheten ‘Lissabon proces’ en onder de strategie voor duurzame ontwikkeling. Op tijd voor de top in het voorjaar van 2002 bracht ECOFIN ook een ander verslag uit over integratie. Hierin wordt aangegeven wat ECOFIN de belangrijkste beginselen van een integratiestrategie vindt. De nadruk wordt gelegd op het opnemen van een milieu-element in de globale richtsnoeren, en er wordt verklaard dat deze globale richtsnoeren de centrale instrumenten zijn voor de strategie van de ECOFIN-Raad. Tevens wordt er weer op aangedrongen dat de voorkeur uitgaat naar op de marktwerking gebaseerde mechanismen voor integratie. Daarbij wordt beredeneerd dat regelgeving of andere mechanismen alleen zouden moeten worden gebruikt bij inefficiënte markten, of wanneer het absoluut noodzakelijk is dat de kwaliteit van het milieu niet verslechtert tot onder een bepaalde drempel. Daarnaast wordt aangegeven dat de ontkoppeling van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en druk op het milieu door economische groei het algehele doel is van de strategie.